Why children tell: a model of children’s disclosure of sexual abuse (2003)
Goodman-Brown, Edelstein, Goodman, Jones & Gordon
Abstract – conclusie: Cognitieve beoordeling door kinderen van de tolerantie van anderen voor de
openbaarmaking van seksueel misbruik van kinderen, en hun eigen perceptie van verantwoordelijkheid voor
het misbruik, zijn cruciaal voor het kind om de beslissing tot onthulling te maken. Bij het evalueren van
kinderen op mogelijk seksueel misbruik, moeten ontwikkelings-, cognitieve en sociaal-emotionele factoren in
overweging worden genomen.
Introductie
Veel kinderen die kindermishandeling ervaren vertellen dit niet, of pas als ze volwassen zijn.
Interventie hangt helaas sterk af van onthulling door het kind zelf, omdat er weinig fysiek bewijs is.
Er bestaat een duidelijke variabiliteit in de timing van de onthullingen door kinderen. Wat bepaalt de
vertraging tussen een gebeurtenis van misbruik en het openbaren door het misbruikte kind hiervan?
Factoren die van invloed zijn op het proces van openbaarmaking
Ontwikkelingsfactoren
Met name cognitieve beperkingen kunnen openbaarmaking door kinderen verhinderen.
Gebrek aan kennis over seksuele taboes bij jonge kinderen --> niet geheel begrijpen dat
mishandeling verkeerd en ongepast is.
Maar: gebrek aan kennis van seksuele taboes bij jonge kinderen kan de openbaarmaking van
mishandeling ook vergemakkelijken --> zien nog niet het taboe van seksualiteit en de persoonlijke
negatieve hiervan dus zouden eerder bereid kunnen zijn om onderwerpen te bespreken waar
oudere kinderen zich voor zouden schamen of ze in verlegenheid zouden brengen. Onderzoek door
Bradley & Wood (1996) spreekt dit echter tegen.
Geslacht
Het grootste deel van onderzoek naar het verband tussen het onthullen van mishandeling en
geslacht van het kind laat zien dat jongens terughoudender zijn in het onthullen van misbruik dan
meisjes. Ook deden jongens er vaker langer over om mishandeling te onthullen dan meisjes.
Mogelijke redenen voor terughoudendheid jongens: angst voor negatieve consequenties zoals
stigmatisering als slachtoffer, gelabeld worden als homoseksueel.
Type misbruik: ‘intrafamiliaal’ versus ‘extrafamiliaal’
Relatie van het kind met de dader kan van invloed zijn op de timing van de onthulling van dit
misbruik.
Onderzoek laat zien dat kinderen waren het minst geneigd waren tot openbaarmaking van misbruik
als de dader een natuurlijke/biologische ouder was (intrafamiliaal). Extrafamiliaal: kinderen waren
eerder geneigd om het misbruik onmiddellijk te onthullen, hoewel nog steeds slecht een klein deel
van de onderzochte kinderen dit deed (39%).
Slachtoffers van intrafamiliaal misbruik zouden zich meer zorgen kunnen maken over het ‘verraden’
van een familielid of over de mogelijke straffen als gevolg hiervan; angst voor verbreken/verstoren
van de familie door de onthulling; gevoel dat ze op zijn minst een gedeeltelijk verantwoordelijk zijn
voor hun misbruik.
Angst voor negatieve gevolgen
Een mogelijk belangrijke factor die de bereidheid tot openbaarmaking van misbruik door kinderen
belemmert, kan hun kennis van de sociale en familiale gevolgen hiervan zijn.
Daders kunnen kinderen direct bedreigen zodat ze niks vertellen; kinderen zouden ook bang kunnen
zijn voor straf door de ouders als ouders bijv. Denken dat het kind liegt; in geval van incest angst
,voor dat ouders gestraft worden; bang voor verstoring familie door openbaarmaking; meer loyaal
voelen naar dader en terughoudend in openbaarmaking; minder begrijpen dat mishandeling
verkeerd is als dader vertrouwd persoon in positie van autoriteit is.
Perceptie van verantwoordelijkheid
Kinderen die mishandelt worden kunnen gaan geloven dat ze op zijn minst gedeeltelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen misbruik.
Ontwikkelingsfactoren jonge kinderen: natuurlijke egocentrisme van een kind kan ertoe leiden dat
ze verantwoordelijkheid van hun misbruik op zich nemen voor gebeurtenissen waarbij ze betrokken
zijn, ongeacht de rol die ze mogelijk hebben gespeeld.
Onderzoek laat ook zien dat meisjes eerder zichzelf de schuld geven van hun eigen misbruik dan
jongens, mogelijk omdat meisjes een grotere kans hebben op misbruik door een familielid
(intrafamiliaal).
Belangrijk onderzoek Wyatt & Mickey (1988): kinderen zijn minder geneigd seksueel misbruik te
openbaren als ze de oorzaak van hun slachtofferschap meer toeschrijven aan interne gebeurtenissen
dan aan externe gebeurtenissen.
Vertraging/uitstel van openbaarmaking
Weinig onderzoek naar vertraging tussen de gebeurtenis van mishandeling en de onthulling hiervan
onder de kinderen die deze openbaar maken.
Onderzoek laat zien dat dit niet afhangt van: ernst van het misbruik; duur; hoe frequent het
gebeurde; relatie tussen het kind en de dader.
Onderzoek laat wel zien:
Kinderen die langer dan 1 maand wachten met onthullen mishandeling --> twee keer meer
waarschijnlijk gerelateerd aan dader
Kinderen die jonger waren toen ze mishandelt werden en vaker mishandelt werden deden
er langer over met onthullen
Leeftijd negatief gerelateerd aan vertraging onthulling; hoe nauwer relatie tussen dader en
kind, meer tijd nodig voor onthullen mishandeling.
De huidige studie
De huidige studie onderzocht variabelen geassocieerd met de vertraging van de openbaarmaking
van seksueel misbruik van kinderen en testte een model van tijd tot onthulling.
Methode
Gegevens werden verzameld voor 218 vermeende slachtoffers van seksueel misbruik van kinderen
van wie de zaak was verwezen naar de kantoren van advocatenbureaus.
Vijf variabelen van invloed op vertraging tussen gebeurtis van mishandeling en het melden hiervan:
leeftijd van het kind, geslacht, type ervaren misbruik (intrafamiliaal of extrafamiliaal), gepercipieerde
verantwoordelijkheid voor het misbruik en angst voor negatieve gevolgen van openbaarmaking.
Deze variabelen zijn gebruikt om een model te maken van factoren die van invloed zijn op
openbaarmaking van seksueel misbruik.
Enquête: Sexual assault profile (SAP; Conte & Berliner, 1984).
Resultaten
Resultaten wezen erop dat leeftijd, type misbruik, angst voor negatieve gevolgen en gepercipieerde
verantwoordelijkheid allemaal hebben bijgedragen aan het voorspellen van tijd tot onthulling.
Er was veel steun voor het model, die suggereerde dat kinderen die ouder waren, afkomstig waren
uit incestueuze gezinnen, grotere verantwoordelijkheid voelden voor het misbruik en vreesden voor
de negatieve gevolgen van onthulling er langer over deden om hun mishandeling te melden.
,Discussie
Hypothesen gesteld:
Leeftijd
Oudere kinderen hadden meer kans om zich verantwoordelijk te voelen voor de incidenten. Oudere
kinderen zullen waarschijnlijk eerder, realistisch of niet, voelen dat ze het misbruik hebben kunnen
ontvluchten of hebben beëindigd. Ouder zijn als kind kan ook geassocieerd worden met een langere
duur van misbruik, wat ook zou kunnen bijdragen aan de verantwoordelijkheidsgevoelens van
oudere kinderen.
Geslacht
Geslacht had geen relatie met tijd tot onthulling van mishandeling.
Type mishandeling
Kinderen wiens misbruik intrafamiliaal was, namen meer tijd om hun misbruik bekend te maken dan
kinderen wiens misbruik extrafamiliaal was. Deze bevindingen komen overeen met de resultaten van
talrijke eerdere onderzoeken.
Negatieve gevolgen voor kind zelf en voor anderen
Kinderen hebben meer tijd nodig om te onthullen wanneer ze dachten dat hun onthulling negatieve
gevolgen zou hebben. De angst voor negatieve gevolgen van het openbaar maken voor anderen was
van bijzonder belang bij het voorspellen van tijd tot onthulling. Vooral in gevallen van incest kunnen
kinderen andere familieleden dan de dader willen beschermen.
Gepercipieerde verantwoordelijkheid van kinderen
Gepercipieerde verantwoordelijkheid significant bij het voorspellen van een langere tijd tot
onthulling van de mishandeling.
. .
Victimization of children with disabilities (2007)
Hershkowitz, Lamb & Horowitz
Abstract:
Kinderen met een handicap (CWDs: Children With Disabilities) hebben een grotere kans om slachtoffers van
kindermishandeling te worden, maar hebben meer moeite met het melden van hun ervaringen dan hun
‘typically developing (TD) peers’, ofwel hoe leeftijdsgenoten zich meestal ontwikkelen.
Dit onderzoek onderzoekt de karakteristieken van mishandeling gemeld door CWD’s, gebaseerd op forensische
verklaringen afgelegd door 40.430 vermeende slachtoffers van mishandeling, waarvan 11% gecategoriseerd
waren als kinderen met kleine handicaps en 1,2% gecategoriseerd waren als kinderen met een ernstige
handicap.
Verhoudingsgewijs waren meer CWD’s dan de TD kinderen vermeende slachtoffers van seksueel geweld in
plaats van fysiek geweld. CWD’s hadden vaker dan TD vermeende slachtoffers dat ze mishandeling niet
vermelden of het vermelden van mishandeling uitstelden. CWD’s hadden een grotere kans dan TD kinderen
op mishandeling door ouderlijk figuren en het ervaren van fysieke mishandeling met lichamelijk letsel of
ernstige seksuele zedendelicten als gevolg, inclusief delicten met penetratie, veelvuldige mishandeling, gebruik
van geweld en bedreigingen. Een hoger niveau van zwaarte van handicap werd geassocieerd met een vergroot
risico op seksueel misbruik.
Eerder onderzoek
Grootschalige onderzoeken hebben sterk bewijs geleverd voor het verband tussen mishandeling en
de ernst van een handicap.
, CWD’s zijn in het bijzonder kwetsbaar vanwege hun lange afhankelijkheid van zorgverleners
(inclusief meerdere zorgverleners in woonzorginstellingen) om hun te helpen met: voldoen aan hun
fysieke, sociale en emotionele behoeften; hun gebrek aan controle of hun eigen leven; hun
neigingen om anderen te gehoorzamen en goedkeuring van anderen te zoeken; gebrek aan kennis
en hun begrijpen van seks; isolatie en afwijzing van anderen; en onvoldoende sociale en
communicatieve vaardigheden die hun vermogen om slachtoffer te worden en wanneer dit te
melden als het gebeurd, limiteert.
Mensen met een mentale handicap melden hun ervaringen zelden bij de politie. Het kleine deel dat
gemeld wordt, wordt vaak incompleet en te haastig behandeld, waardoor politieonderzoek
gelimiteerd is vervolging niet vaak voorkomt. Historisch gezien worden mentaal gehandicapte
mensen vaak gezien als onbetrouwbare getuigen.
De huidige studie
Onderzoeksvragen:
1. Hebben vermeende slachtoffers met een handicap/beperking een grotere kans dan
vermeende slachtoffers zonder een beperking op het worden van vermeende slachtoffers
van seksueel geweld in tegenstelling tot fysieke mishandeling?
a. Is dit afhankelijk van leeftijd en geslacht?
2. In hoeverre/welke mate melden CWD’s en TD kinderen mishandeling of stellen ze het uit?
3. CWD’s versus TD kinderen: verschillen de associaties tussen de ernst van het gemelde
misbruik en de identiteit van de verdachte misbruikers?
1. Heeft het niveau van ernst van de beperking invloed op het begrip/het kunnen berijpen van
kinderen over de (seksuele) misdrijven waarvan zij mogelijk het slachtoffer zijn geweest?
Verwacht werd dat, vergeleken met TD kinderen, CWD’s:
1. Waarschijnlijker seksueel misbruik melden dan fysieke mishandeling.
2. Minder mishandeling openbaren en eerder het melden van mishandeling uitstellen.
3. Waarschijnlijker ernstigere delicten melden, vooral delicten gepleegd door naasten/mensen
die dicht op hun staan.
4. Kleinere kans hebben op begrijpen van gebeurtenissen van seksueel misbruik.
In het algemeen werd verwacht dat het niveau van ernst van de beperking positief geassocieerd zou
zijn met de mate waarin deze patronen duidelijk waren. (hoe hoger ernst beperking, hoe groter kans
op x)
Discussie
Bevindingen van dit onderzoek stellen CWD's van alle leeftijden over het algemeen
oververtegenwoordigd waren onder vermeende slachtoffers van seksueel misbruik en
ondervertegenwoordigd (vooral wanneer het oudere kinderen betreft) onder vermeende
slachtoffers van fysiek misbruik. Er was een grotere kans, vergeleken met TD kinderen, op
meldingen van CWD’s die herhaaldelijk slachtoffer waren geworden, slachtoffers van meer
opdringende mishandeling waren, en slachtoffers waren van incidenten met het gebruik van
bedreigingen en geweld.
Op de meeste vlakken waren hogere niveaus van invaliditeit geassocieerd met een verhoogd
risico op seksueel misbruik. De risico's voor kinderen met ernstige handicaps waren nóg
hoger met betrekking tot het aantal incidenten dat naar verluidt werd ervaren, de ernst van
de gemelde seksuele handelingen, het gebruik van geweld en de neiging tot lichamelijk letsel
tijdens de misbruikincidenten.
Vergeleken met TD vermeende slachtoffers, melden vermeende slachtoffers met een
beperking minder vaak de mishandeling en stelde het melden vaker uit (kinderen met een
ernstige beperking nóg vaker dan kinderen met een matige/kleinere beperking).