Samenvatting H6 – Basisboek criminologie
6.1 Labeling
Tannenbaum (1938) stelde het volgende over labelen (tagging): het proces van het misdadig maken is
een proces van markeren, definiëren, identificeren, afzonderen, beschrijven, benadrukken, bewust en
zelfbewust maken; het wordt een manier van stimuleren, suggereren, benadrukken en oproepen van
precies die eigenschappen waarover geklaagd wordt. de persoon wordt datgene waarvan beschreven
wordt dat hij het is. de uitweg is door te weigeren het kwaad te dramatiseren.
Jeugddelinquenten zijn in dit geval good kids doing bad things en worden door deze labeling gezien
als bad kids en gaan zich daar naar gedragen.
Secundaire deviantie ontstaat volgens Lemert (1972) als individuen zichzelf gaan zien als deviant en
zich daar naar gaan gedragen.
De eerste keer dat zo’n gedraging plaatsvindt noemen we primaire deviantie en dit leidt niet tot
aanpassingen van iemands zelfbeeld of attitudes.
Juist door labeling, uitsluiting en andere sociale reacties kan het regel overtredend gedrag structureel
worden en deel uit gaan maken van de identiteit > selffulfilling prophecy
Tertiaire deviantie betekend dat degene die als delinquent wordt gelabeld, de deviante identiteit als
symbolische uiting van bijzonderheid of superioriteit gaat gebruiken.
Het concept shaming (Braithwaite, 1989) doelt op de uiting van afwijzing van het vertoonde gedrag
met de intentie en het effect om berouw op te roepen bij de overtreder en veroordeling door anderen
die getuigen zijn van het ‘te schande maken’.
Er zijn twee vormen van shaming: (1) disintegrative shaming: stigmatiserende vorm van
veroordelen en sluit de persoon uit. Het labelt dus niet alleen de daad, maar ook de dader en
(2) reintegrative shaming: de negatieve sociale reactie is gericht tegen het gedrag of de
daad, maar de dader wordt niet uitgesloten. Het gaat hier dus alleen om de daad en niet de
dader.
6.2 Kritische criminologie
X
6.3 Culturele criminologie
X
6.4 Green criminology
X
6.5 Herstelrecht en victimologie
6.1 Labeling
Tannenbaum (1938) stelde het volgende over labelen (tagging): het proces van het misdadig maken is
een proces van markeren, definiëren, identificeren, afzonderen, beschrijven, benadrukken, bewust en
zelfbewust maken; het wordt een manier van stimuleren, suggereren, benadrukken en oproepen van
precies die eigenschappen waarover geklaagd wordt. de persoon wordt datgene waarvan beschreven
wordt dat hij het is. de uitweg is door te weigeren het kwaad te dramatiseren.
Jeugddelinquenten zijn in dit geval good kids doing bad things en worden door deze labeling gezien
als bad kids en gaan zich daar naar gedragen.
Secundaire deviantie ontstaat volgens Lemert (1972) als individuen zichzelf gaan zien als deviant en
zich daar naar gaan gedragen.
De eerste keer dat zo’n gedraging plaatsvindt noemen we primaire deviantie en dit leidt niet tot
aanpassingen van iemands zelfbeeld of attitudes.
Juist door labeling, uitsluiting en andere sociale reacties kan het regel overtredend gedrag structureel
worden en deel uit gaan maken van de identiteit > selffulfilling prophecy
Tertiaire deviantie betekend dat degene die als delinquent wordt gelabeld, de deviante identiteit als
symbolische uiting van bijzonderheid of superioriteit gaat gebruiken.
Het concept shaming (Braithwaite, 1989) doelt op de uiting van afwijzing van het vertoonde gedrag
met de intentie en het effect om berouw op te roepen bij de overtreder en veroordeling door anderen
die getuigen zijn van het ‘te schande maken’.
Er zijn twee vormen van shaming: (1) disintegrative shaming: stigmatiserende vorm van
veroordelen en sluit de persoon uit. Het labelt dus niet alleen de daad, maar ook de dader en
(2) reintegrative shaming: de negatieve sociale reactie is gericht tegen het gedrag of de
daad, maar de dader wordt niet uitgesloten. Het gaat hier dus alleen om de daad en niet de
dader.
6.2 Kritische criminologie
X
6.3 Culturele criminologie
X
6.4 Green criminology
X
6.5 Herstelrecht en victimologie