2 Ontwikkeling van mondelinge vaardigheden
2.1 Ayla zegt maar niks
Receptieve/passieve taalvaardigheid: begrijpen van woorden.
Productieve/actieve taalvaardigheid: gebruiken van woorden.
Stille periode: de periode waarin tweedetaalverwervers die pas op school zijn nog niets zeggen, maar
wel goed luisteren om de taal te leren.
2.2 Hoe verwerven kinderen een tweede taal?
Tot in de jaren ’70 werd taalleren gezien als een proces van gewoontevorming, waarin imitatie en
reïnforcement (bekrachtiging/bevestiging) een belangrijke rol spelen. De theorie, in lijn met het
behaviorisme, voorspelt dat transfer (overdracht) van de eerste taal op de tweede taal zeer groot
was. Het maken van fouten onder invloed van de eerste taal (‘negatieve transfer’) zijn
interferentiefouten, zoals het lidwoord weglaten.
Er treedt ook veel overgeneralisatie op (bv. sleutelen i.p.v. sleutels, want boek wordt boeken). De
leerder stelt later zijn hypothese bij, want er zijn blijkbaar ook uitzonderingen op die regels. De
taalverwerver is geen imitator, maar een creatieve bouwer aan de nieuwe taal: creatieve
constructie.
Door de bezwaren tegen de interferentiehypothese stonden niet langer de imitatie en eerste taal in
de belangstelling, maar de creatieve vermogens van de leerder zelf en de overeenkomsten tussen
eerste- en tweedetaalverwerving. Afwijkingen als ‘ik vielde’, tussentaal genoemd, blijken in hoge
mate systematisch en voorspelbaar te zijn. Hierin verschillen de processen van eerste- en
tweedetaalverwerving niet van elkaar: het zijn universele processen, taalontwikkelingsfouten die
veroorzaakt worden door de specifieke problemen die het Nederlands kent. Deze opvatting noemt
men daarom ook wel de universalistische taalverwervingshypothese.
Er zijn wel bepaalde ontwikkelingsvolgordes bij het leren van een tweede taal, maar die zijn niet
voor iedere taalverwerver gelijk. Ook wat betreft bepaalde processen, zoals de uitspraak, bleken
verschillen te bestaan. Er zijn wel overeenkomsten, maar de hypothese dat beide processen gelijk
zijn, gaat niet op.
Volgens de interactionele benadering speelt het taalaanbod (input) van en interactie met
moedertaalsprekers een grote rol in het tweedetaalverwervingsproces. Volgens de outputhypothese
van Swain gaan taalverwervers die gedwongen worden de tweede taal te spreken (output),
vervolgens bewuster om met de vormelijke kenmerken in het aanbod dat ze krijgen. Hoe meer en
hoe vaker ze gedwongen worden in de tweede taal te praten, hoe meer ze die regels en chunks
(grotere taaleenheden als “dat heb ik al zo vaak <werkwoord>”) kunnen uitproberen en bijschaven,
zolang ze goede feedback krijgen op hun uitingen. Een hoge aanbodfrequentie en veel herhaling
hebben positieve invloed op taalverwerving.
2.3 Hoe snel verwerven kinderen een tweede taal?
Voor alle aspecten van een taal geldt dat taalbegrip nog niet automatisch taalproductie betekent. Er
zijn vier aspecten van taalvaardigheid: