2.2
Staat (drie criteria)
- (afgegrensd) grondgebied
- (geaccepteerd) bestuursgezag
- soevereiniteit: hoogste macht of gezag (geen verantwoording nodig aan ander
orgaan)
- (te onderscheiden) staatsvolk
Twee pijlers ten grondslag aan inrichting van bestuur van veel moderne staten
- scheiding tussen kerk en staat
- scheiding van de drie machten
Soorten samenlevingen
- samenlevingen op basis van gelijkheid
- leiderschap als basis voor macht
- jagers en verzamelaars
- samenlevingen met rangorde
- bezit als basis voor macht
- agrarische samenleving
- samenlevingen met gelaagdheid
- standensamenleving
Machtsvormen
- trias politica → horizontale machtenscheiding (gelijkwaardige machten)
- wetgevende macht → Staten-Generaal (en regering)
- uitvoerende macht → ministeries (en regering)
- rechterlijke macht → onafhankelijke rechters
- ‘de vierde macht’: ambtenarenapparaat (bureaucratie)
- rijksambtenaren kunnen met beleidsadviezen de minister sterk sturen
- media, lobbyisten en adviesbureaus
- beïnvloeden soms achter de schermen politieke besluitvorming
Grondwetswijziging (vreedzame revolutie)
- Rudolf Thorbecke
- voorbeelden van wijzigingen die nog steeds relevant zijn
- invoering van ministeriële verantwoordelijkheid
- rechtstreekse verkiezing Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden
- indirecte verkiezingen Eerste kamer
- mogelijkheid om Kamers te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven
- invoering van het recht van amendement van Tweede Kamer (recht om
wetsvoorstellen te wijzigen)
- invoering van het recht van enquête van Tweede Kamer en het recht op informatie
voor beide Kamers
- jaarlijkse vaststelling van de begroting
- een andere procedure voor herziening van de Grondwet
Rol overheid
- ‘nachtwakersstaat’: gericht op het garanderen van de veiligheid van de inwoners door de
aanwezigheid van politie en leger, wetgeving vooral gericht op handhaven rechtsorde
- weinig bemoeienis met inwoners
- ‘codificatie en modificatie’: steeds meer bemoeienis met samenleving door overheid
- codificatie: overheid volgt eerst ontwikkelingen en samenleving en stelt daarna
wetten op die passen bij geconstateerde ontwikkelingen
- modificatie: overheid wil continu inspelen op ontwikkelingen in samenleving en
mogelijk zelfs daarop vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden
, - ‘verzorgingsstaat’: samenleving sturen en hiervoor zelf de randvoorwaarden scheppen
- ‘post-verzorgingsstaat’ → huidig stelsel niet meer vol te houden
- ‘participatiesamenleving’: iedereen die dat kan moet ook daadwerkelijk
verantwoordelijkheid nemen voor zijn eigen leven en voor zijn eigen omgeving
- verantwoordelijkheden liggen steeds meer bij burger en overheid kan zich meer
terugtrekken
- nadeel: niet iedere burger kan voor zichzelf opkomen of voor zichzelf zorgen
Dominante politieke stromingen
- liberalisme → vrijheidsbeginsel
- christendemocratie → christelijke beginselen
- socialisme → gelijkheidsbeginsel
2.3
Overheid bestaat uit een heleboel verschillende overheden
- het geheel van bestuurders en bestuurlijke colleges in een staatsverband en het daarbij
horende ambtelijke apparaat
- doelstellingen en belangen van verschillende overheden hoeven niet met elkaar in
overeenstemming te zijn en soms kan er zelfs sprake zijn van een regelrechte
belangentegenstelling
- actor: ‘hij die handelt’ → iedereen die bij een beleidsproces is betrokken
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
- houdt in dat veel taken en bevoegdheden aan andere overheidsorganen dan de centrale
overheid zijn toebedeeld
- over drie bestuurslagen verdeeld
- rijk: draagt zorg voor de taken die niet aan de lagere overheden kunnen
worden toebedeeld (eenheidsstaat)
- provincie: heeft in de taakverdeling vooral de coördinerende taak (zit tussen
rijk en gemeenten)
- gemeente: doen het uitvoerende werk en staan het dichtst bij de burgers
→ verticale machtenscheiding
- voortdurend in beweging
- territoriale decentralisatie: wanneer andere overheidsorganen een bepaald gebied besturen
- functionele decentralisatie: wanneer overheidsorgaan is ingesteld ter behartiging van een
bepaald doel
Taken
- autonomie: gemeenten en provincies hebben, binnen zekere grenzen, exclusieve taken en
bevoegdheden waar de andere overheden zich niet in mogen mengen (rioleringsstelsel)
- medebewindstaken: heeft betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door de lagere
overheden (bijhouden van bevolkingsregister)
- verlengd lokaal bestuur: besluitvorming wordt niet overgedragen aan de
hiervoor ingestelde samenwerkingsverbanden tussen gemeenten (gemeenten
moeten zelf de besluiten blijven nemen → moeizamer)
Deconcentratie
- het fysiek over een land verspreiden van delen van een overheid
- regionale kantoren Belastingdienst
- geen overdracht van taken en bevoegdheden (decentralisatie wel)
- motieven voor deconcentratie
- verbeteren communicatie met ‘Den Haag’ → gedeconcentreerde diensten
staan dichter bij wat er in het land gebeurt en hebben dan ook een oog-
en oorfunctie voor de minister
- meer grip op regionale zaken door er fysiek dichterbij te zitten
, - een compromis tussen behoefte aan decentralisatie in de regio en een behoefte van
het rijk om de touwtjes in handen te houden
- voor elke regio een aangepast beleid mogelijk, maar tegelijkertijd kan door de aansturing
vanuit ‘Den Haag’ voor landelijke eenheid worden gewaakt
- vormen van deconcentratie
- inspecties (inspectie van het onderwijs, inspectie gezondheidszorg en jeugd)
- taken meestal wettelijk vastgelegd en hebben veelal betrekking op toezicht,
controle en coördinatie
- directie (regionale directies van Rijkswaterstaat)
- taken zijn meer technisch uitvoerend van aard
- consulentschappen
- taken hebben vooral betrekking op voorlichting en advisering
2.4
Algemeen belang
- hoofddoel overheid: het behartigen van het algemeen belang
- niet één algemeen belang voor iedereen
- gaat vaak om een afweging - of soms zelfs om een strijd - tussen deelbelangen
- keuze tussen deelbelangen niet alleen bij kabinet, maar ook op gemeentelijk niveau
- doelstellingen van een organisatie hoeven niet direct de doelstellingen van de afdelingen of
de werknemers te weerspiegelen
- inhoudelijke overwegingen, maar ook persoonlijke motieven van ambtenaren en
bestuurders kunnen een rol spelen
- bureaupolitiek: het verschijnsel dat individuele actoren eigen doelstellingen nastreven, die
in strijd kunnen zijn met de beleids- of organisatiedoelstellingen
2.5
Beleid (verschillende betekenissen)
- beleid is een plan
- plan: stelsel van doelen en middelen
- gaat erom dat een overheid van tevoren heeft uitgedacht wat er moet worden
gedaan en hoe dat moet worden gedaan
- meest voorkomende betekenis (ook in boek tenzij anders is aangegeven)
- beleid is alles wat een overheid doet
- alles wat een overheid doet, maar ook het niet opstellen van een plan kan beleid
zijn (soms bewuste keuze door oa geld)
3.1
Media
- belangrijke informatiebron voor onze volksvertegenwoordigers
- politieke stromingen minder duidelijk te herkennen → gaat vaak vooral om
scoren en profileren
3.2
Systeembenadering
- als veel mensen, vanuit verschillende vakgebieden hebben leren werken met systemen,
dan kan die manier van denken dienen als een communicatiemiddel tussen de
verschillende wetenschappen
- illustratie van het feit dat de bestuurskunde een interdisciplinaire wetenschap is
- invoer
- bestaat uit ‘eisen’ (milieugroeperingen, belangengroepen) en ‘steun’ (stemmen)
- doorvoer
- een ‘zwarte doos’ (niet goed bekend hoe invoer in uitvoer wordt omgezet)
- uitvoer
Staat (drie criteria)
- (afgegrensd) grondgebied
- (geaccepteerd) bestuursgezag
- soevereiniteit: hoogste macht of gezag (geen verantwoording nodig aan ander
orgaan)
- (te onderscheiden) staatsvolk
Twee pijlers ten grondslag aan inrichting van bestuur van veel moderne staten
- scheiding tussen kerk en staat
- scheiding van de drie machten
Soorten samenlevingen
- samenlevingen op basis van gelijkheid
- leiderschap als basis voor macht
- jagers en verzamelaars
- samenlevingen met rangorde
- bezit als basis voor macht
- agrarische samenleving
- samenlevingen met gelaagdheid
- standensamenleving
Machtsvormen
- trias politica → horizontale machtenscheiding (gelijkwaardige machten)
- wetgevende macht → Staten-Generaal (en regering)
- uitvoerende macht → ministeries (en regering)
- rechterlijke macht → onafhankelijke rechters
- ‘de vierde macht’: ambtenarenapparaat (bureaucratie)
- rijksambtenaren kunnen met beleidsadviezen de minister sterk sturen
- media, lobbyisten en adviesbureaus
- beïnvloeden soms achter de schermen politieke besluitvorming
Grondwetswijziging (vreedzame revolutie)
- Rudolf Thorbecke
- voorbeelden van wijzigingen die nog steeds relevant zijn
- invoering van ministeriële verantwoordelijkheid
- rechtstreekse verkiezing Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden
- indirecte verkiezingen Eerste kamer
- mogelijkheid om Kamers te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven
- invoering van het recht van amendement van Tweede Kamer (recht om
wetsvoorstellen te wijzigen)
- invoering van het recht van enquête van Tweede Kamer en het recht op informatie
voor beide Kamers
- jaarlijkse vaststelling van de begroting
- een andere procedure voor herziening van de Grondwet
Rol overheid
- ‘nachtwakersstaat’: gericht op het garanderen van de veiligheid van de inwoners door de
aanwezigheid van politie en leger, wetgeving vooral gericht op handhaven rechtsorde
- weinig bemoeienis met inwoners
- ‘codificatie en modificatie’: steeds meer bemoeienis met samenleving door overheid
- codificatie: overheid volgt eerst ontwikkelingen en samenleving en stelt daarna
wetten op die passen bij geconstateerde ontwikkelingen
- modificatie: overheid wil continu inspelen op ontwikkelingen in samenleving en
mogelijk zelfs daarop vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden
, - ‘verzorgingsstaat’: samenleving sturen en hiervoor zelf de randvoorwaarden scheppen
- ‘post-verzorgingsstaat’ → huidig stelsel niet meer vol te houden
- ‘participatiesamenleving’: iedereen die dat kan moet ook daadwerkelijk
verantwoordelijkheid nemen voor zijn eigen leven en voor zijn eigen omgeving
- verantwoordelijkheden liggen steeds meer bij burger en overheid kan zich meer
terugtrekken
- nadeel: niet iedere burger kan voor zichzelf opkomen of voor zichzelf zorgen
Dominante politieke stromingen
- liberalisme → vrijheidsbeginsel
- christendemocratie → christelijke beginselen
- socialisme → gelijkheidsbeginsel
2.3
Overheid bestaat uit een heleboel verschillende overheden
- het geheel van bestuurders en bestuurlijke colleges in een staatsverband en het daarbij
horende ambtelijke apparaat
- doelstellingen en belangen van verschillende overheden hoeven niet met elkaar in
overeenstemming te zijn en soms kan er zelfs sprake zijn van een regelrechte
belangentegenstelling
- actor: ‘hij die handelt’ → iedereen die bij een beleidsproces is betrokken
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
- houdt in dat veel taken en bevoegdheden aan andere overheidsorganen dan de centrale
overheid zijn toebedeeld
- over drie bestuurslagen verdeeld
- rijk: draagt zorg voor de taken die niet aan de lagere overheden kunnen
worden toebedeeld (eenheidsstaat)
- provincie: heeft in de taakverdeling vooral de coördinerende taak (zit tussen
rijk en gemeenten)
- gemeente: doen het uitvoerende werk en staan het dichtst bij de burgers
→ verticale machtenscheiding
- voortdurend in beweging
- territoriale decentralisatie: wanneer andere overheidsorganen een bepaald gebied besturen
- functionele decentralisatie: wanneer overheidsorgaan is ingesteld ter behartiging van een
bepaald doel
Taken
- autonomie: gemeenten en provincies hebben, binnen zekere grenzen, exclusieve taken en
bevoegdheden waar de andere overheden zich niet in mogen mengen (rioleringsstelsel)
- medebewindstaken: heeft betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door de lagere
overheden (bijhouden van bevolkingsregister)
- verlengd lokaal bestuur: besluitvorming wordt niet overgedragen aan de
hiervoor ingestelde samenwerkingsverbanden tussen gemeenten (gemeenten
moeten zelf de besluiten blijven nemen → moeizamer)
Deconcentratie
- het fysiek over een land verspreiden van delen van een overheid
- regionale kantoren Belastingdienst
- geen overdracht van taken en bevoegdheden (decentralisatie wel)
- motieven voor deconcentratie
- verbeteren communicatie met ‘Den Haag’ → gedeconcentreerde diensten
staan dichter bij wat er in het land gebeurt en hebben dan ook een oog-
en oorfunctie voor de minister
- meer grip op regionale zaken door er fysiek dichterbij te zitten
, - een compromis tussen behoefte aan decentralisatie in de regio en een behoefte van
het rijk om de touwtjes in handen te houden
- voor elke regio een aangepast beleid mogelijk, maar tegelijkertijd kan door de aansturing
vanuit ‘Den Haag’ voor landelijke eenheid worden gewaakt
- vormen van deconcentratie
- inspecties (inspectie van het onderwijs, inspectie gezondheidszorg en jeugd)
- taken meestal wettelijk vastgelegd en hebben veelal betrekking op toezicht,
controle en coördinatie
- directie (regionale directies van Rijkswaterstaat)
- taken zijn meer technisch uitvoerend van aard
- consulentschappen
- taken hebben vooral betrekking op voorlichting en advisering
2.4
Algemeen belang
- hoofddoel overheid: het behartigen van het algemeen belang
- niet één algemeen belang voor iedereen
- gaat vaak om een afweging - of soms zelfs om een strijd - tussen deelbelangen
- keuze tussen deelbelangen niet alleen bij kabinet, maar ook op gemeentelijk niveau
- doelstellingen van een organisatie hoeven niet direct de doelstellingen van de afdelingen of
de werknemers te weerspiegelen
- inhoudelijke overwegingen, maar ook persoonlijke motieven van ambtenaren en
bestuurders kunnen een rol spelen
- bureaupolitiek: het verschijnsel dat individuele actoren eigen doelstellingen nastreven, die
in strijd kunnen zijn met de beleids- of organisatiedoelstellingen
2.5
Beleid (verschillende betekenissen)
- beleid is een plan
- plan: stelsel van doelen en middelen
- gaat erom dat een overheid van tevoren heeft uitgedacht wat er moet worden
gedaan en hoe dat moet worden gedaan
- meest voorkomende betekenis (ook in boek tenzij anders is aangegeven)
- beleid is alles wat een overheid doet
- alles wat een overheid doet, maar ook het niet opstellen van een plan kan beleid
zijn (soms bewuste keuze door oa geld)
3.1
Media
- belangrijke informatiebron voor onze volksvertegenwoordigers
- politieke stromingen minder duidelijk te herkennen → gaat vaak vooral om
scoren en profileren
3.2
Systeembenadering
- als veel mensen, vanuit verschillende vakgebieden hebben leren werken met systemen,
dan kan die manier van denken dienen als een communicatiemiddel tussen de
verschillende wetenschappen
- illustratie van het feit dat de bestuurskunde een interdisciplinaire wetenschap is
- invoer
- bestaat uit ‘eisen’ (milieugroeperingen, belangengroepen) en ‘steun’ (stemmen)
- doorvoer
- een ‘zwarte doos’ (niet goed bekend hoe invoer in uitvoer wordt omgezet)
- uitvoer