Psychologie
Leerdoel Aantal Aantal Aantal Totaal aantal
vragen vragen vragen vragen per
gericht op gericht op gericht op leerdoel
kennis en kennis en (passief)
reproductie begrip toepassen/
analyseren
een beschrijving geven van de ontwikkeling van X 1
de zintuigen, de taalontwikkeling, en de sociaal-
emotionele ontwikkeling van geboorte tot en
met de kleutertijd
het verschil uitleggen tussen drie typen X 1
hechtingsgedragingen
beschrijven wat ‘theory of mind’ betekent en X 1
hoe dit zich ontwikkelt bij baby’s, peuters en
kleuters
de begrippen animistisch denken, assimilatie, X 1
accommodatie en objectpermanentie
herkennen
uitleggen wat de verschillende oorzaken van X 1
alledaagse eetproblemen bij peuters en
kleuters kunnen zijn en welke adviezen in deze
situaties gegeven kunnen worden
uitleggen wat de ‘failure to thrive’ stoornis, X 1
ruminatiestoornis en pica inhouden
de concreet-operationele periode beschrijven X 1
en hierbij aangeven wat het verschil is met de
kleuterleeftijd
uitleggen wat interne- en externe X 1
geheugenstrategieën, metacognitie en
executieve functies zijn en hier voorbeelden van
geven
de drie stadia van de morele ontwikkeling X 1
benoemen en herkennen
uitleggen welke opvoedstijlen er bestaan en X 1
wat de kenmerken en mogelijke (negatieve)
gevolgen daarvan zijn
uitleggen welke invloed portiegrootte heeft op X 1
de hoeveelheid voedsel die kinderen tot zich
nemen
verschillende fasen van de ‘adolescentie’ X 1
beschrijven
een beschrijving geven van de cognitieve X 1
ontwikkeling tijdens de adolescentie
uitleggen wat wordt bedoeld met de termen X 1
‘identiteitsontwikkeling’, ‘identity
achievement’, ‘foreclosure’, ‘identity confusion’
en ‘negatieve identiteit’
uitleggen welke relaties er bestaan tussen X 1
‘ouderlijke invloeden’, ‘perceptie van
, lichaamsgewicht’, ‘socio-demografische
kenmerken’ en de consumptie van fruit,
groente, zuivelproducten en ontbijt van
adolescenten
de verschillende fasen van volwassenheid X 1
beschrijven en hierbij aangeven welke thema’s
een belangrijke rol spelen en welke
psychologische en biologische veranderingen er
gepaard gaan met ouder worden
TOTAAL 16
Ontwikkelingspsychologie
Zintuigen:
Tijdens de neonatale periode (1e maand na de geboorte) reageren zuigelingen al op
stimulatie van al hun zintuigen. Zo draaien pasgeboren baby’s hun hoofd in de richting van
de vinger die over hun wang streelt en beginnen er aan te zuigen. Ze reageren ook op
smaak: hoe zoeter de smaak, des te regelmatiger en sterker de zuigbeweging.
Gedragsreflexen
Helpen de zuigeling bij het vervullen van de eerste levensbehoeften en vormen een
biologische basis voor latere ontwikkeling. Houdingsreflex zorgt er voor dat de pasgeborene
met steun kan zitten, terwijl ze zich vastklampen aan een verzorger met behulp van het
grijpreflex.
Taalvaardige ontwikkeling (deze fase duurt ongeveer tot het kind 18 mnd. – 2 jr. oud is)
Na de neonatale periode begint de infacy-periode = een periode van snelle, genetisch
bepaalde groei en een periode waarin een kind meer en meer gebruik gaat maken van zijn
vaardigheid om nieuwe gedragingen te leren. Kinderen hebben een aangeboren
taalwervingssysteem (LAD – language acquisition device).
Fasen van taalontwikkeling:
1. Brabbelen
a. Alle geluiden die in alle talen voorkomen, pas als de baby de taal gaat leren
die hij om zich heen hoort wordt het repertoire beperkt tot de klanken die bij
die taal horen
2. Een-woordstadium
a. Ongeveer rond het eerste levensjaar produceren kinderen een enkel
naamwoord of werkwoord (bijv. mama of hondje)
3. Naming explosion
a. Van 18e maand tot tweede levensjaar: kinderen wijzen elk object in de kamer
aan en vragen ‘wat is dat?’ waardoor veel woorden aan de woordenschat
worden toegevoegd.
4. Twee-woordenstadium
a. De hoeveelheid betekenissen die een kind kan overbrengen neemt enorm toe
5. Telegramspraak
a. Als het kind zinnetjes van twee of drie woorden gaat gebruiken, korte,
eenvoudige reeksen van woorden. De vaardigheid om volledige zinnen te
vormen ontwikkelen kinderen pas als ze andere onderdelen van taal hebben
geleerd.
Leerdoel Aantal Aantal Aantal Totaal aantal
vragen vragen vragen vragen per
gericht op gericht op gericht op leerdoel
kennis en kennis en (passief)
reproductie begrip toepassen/
analyseren
een beschrijving geven van de ontwikkeling van X 1
de zintuigen, de taalontwikkeling, en de sociaal-
emotionele ontwikkeling van geboorte tot en
met de kleutertijd
het verschil uitleggen tussen drie typen X 1
hechtingsgedragingen
beschrijven wat ‘theory of mind’ betekent en X 1
hoe dit zich ontwikkelt bij baby’s, peuters en
kleuters
de begrippen animistisch denken, assimilatie, X 1
accommodatie en objectpermanentie
herkennen
uitleggen wat de verschillende oorzaken van X 1
alledaagse eetproblemen bij peuters en
kleuters kunnen zijn en welke adviezen in deze
situaties gegeven kunnen worden
uitleggen wat de ‘failure to thrive’ stoornis, X 1
ruminatiestoornis en pica inhouden
de concreet-operationele periode beschrijven X 1
en hierbij aangeven wat het verschil is met de
kleuterleeftijd
uitleggen wat interne- en externe X 1
geheugenstrategieën, metacognitie en
executieve functies zijn en hier voorbeelden van
geven
de drie stadia van de morele ontwikkeling X 1
benoemen en herkennen
uitleggen welke opvoedstijlen er bestaan en X 1
wat de kenmerken en mogelijke (negatieve)
gevolgen daarvan zijn
uitleggen welke invloed portiegrootte heeft op X 1
de hoeveelheid voedsel die kinderen tot zich
nemen
verschillende fasen van de ‘adolescentie’ X 1
beschrijven
een beschrijving geven van de cognitieve X 1
ontwikkeling tijdens de adolescentie
uitleggen wat wordt bedoeld met de termen X 1
‘identiteitsontwikkeling’, ‘identity
achievement’, ‘foreclosure’, ‘identity confusion’
en ‘negatieve identiteit’
uitleggen welke relaties er bestaan tussen X 1
‘ouderlijke invloeden’, ‘perceptie van
, lichaamsgewicht’, ‘socio-demografische
kenmerken’ en de consumptie van fruit,
groente, zuivelproducten en ontbijt van
adolescenten
de verschillende fasen van volwassenheid X 1
beschrijven en hierbij aangeven welke thema’s
een belangrijke rol spelen en welke
psychologische en biologische veranderingen er
gepaard gaan met ouder worden
TOTAAL 16
Ontwikkelingspsychologie
Zintuigen:
Tijdens de neonatale periode (1e maand na de geboorte) reageren zuigelingen al op
stimulatie van al hun zintuigen. Zo draaien pasgeboren baby’s hun hoofd in de richting van
de vinger die over hun wang streelt en beginnen er aan te zuigen. Ze reageren ook op
smaak: hoe zoeter de smaak, des te regelmatiger en sterker de zuigbeweging.
Gedragsreflexen
Helpen de zuigeling bij het vervullen van de eerste levensbehoeften en vormen een
biologische basis voor latere ontwikkeling. Houdingsreflex zorgt er voor dat de pasgeborene
met steun kan zitten, terwijl ze zich vastklampen aan een verzorger met behulp van het
grijpreflex.
Taalvaardige ontwikkeling (deze fase duurt ongeveer tot het kind 18 mnd. – 2 jr. oud is)
Na de neonatale periode begint de infacy-periode = een periode van snelle, genetisch
bepaalde groei en een periode waarin een kind meer en meer gebruik gaat maken van zijn
vaardigheid om nieuwe gedragingen te leren. Kinderen hebben een aangeboren
taalwervingssysteem (LAD – language acquisition device).
Fasen van taalontwikkeling:
1. Brabbelen
a. Alle geluiden die in alle talen voorkomen, pas als de baby de taal gaat leren
die hij om zich heen hoort wordt het repertoire beperkt tot de klanken die bij
die taal horen
2. Een-woordstadium
a. Ongeveer rond het eerste levensjaar produceren kinderen een enkel
naamwoord of werkwoord (bijv. mama of hondje)
3. Naming explosion
a. Van 18e maand tot tweede levensjaar: kinderen wijzen elk object in de kamer
aan en vragen ‘wat is dat?’ waardoor veel woorden aan de woordenschat
worden toegevoegd.
4. Twee-woordenstadium
a. De hoeveelheid betekenissen die een kind kan overbrengen neemt enorm toe
5. Telegramspraak
a. Als het kind zinnetjes van twee of drie woorden gaat gebruiken, korte,
eenvoudige reeksen van woorden. De vaardigheid om volledige zinnen te
vormen ontwikkelen kinderen pas als ze andere onderdelen van taal hebben
geleerd.