van het evenwicht (lichaamsvocht en temperatuur). De huid is het grootste orgaan dat we hebben (2
m2, 2.5 kg). Hij vernieuwt zich om de 4 weken. De barrièrefunctie wisselt, afhankelijk van de lokalisatie.
Op plaatsen van veel wrijving (zool) kan hyperkeratose (meer hoornlaag/eelt) ontstaan.
De huid bestaat uit 3 lagen, namelijk de epidermis, dermis en subcutis.
De epidermis is zelf niet gevasculariseerd, maar haalt zijn voedingsstoffen via capillairen vanuit
de dermis. Het grootste deel bestaat uit keratinocyten, maar je hebt ook melanocyten,
Langerhanscellen en Merkelcellen. De epidermis bestaat uit een aantal lagen:
- Stratum corneum (hoornlaag): kernloze, verhoornde cellen met lipide tussenstof
(hyperkeratose/eelt, parakeratose/schilfers)
- Stratum granulosum (korrellaag): nog steeds aanwezige verhoorning in granula
(keratohyaline), die ontbreekt in de lippen.
- Stratum spinosum (stekellaag): keratinocyten zijn hier verbonden middels desmosomen
(acanthose, acanthyloyse). Hij bevat ook langerhanscellen en melanocyten.
- Stratum basale (germinativum): delende keratinocyten.
De dermis is veel dikker en hij geeft stevigheid aan de huid. Het bestaat uit:
- Stratum papillare: met capillairen voor voeding van de epidermis. Hij bevat collageen type III en veel cellen.
- Stratum reticulare: met dikkere collageen- en elastinevezels (85% collageen type I) met mucopolysaccharide
tussenstuf en eccriene zweetklieren.
In de dermis zitten fibroblasten die collageen, elastine, eiwitten en mucopolysacchariden maken, die zorgen
voor volume en soepelheid van de huid. De ontstekingscellen in de dermis zijn Langerhanscellen, T-lymfocyten,
monocyten/macrofagen, mestcellen en neutrofiele granulocyten.
De subcutis ligt onder de dermis. Hij zorgt voornamelijk voor vetopslag, maar hij bevat ook arteriën, venen,
zweetklieren en zenuwen.
Het penetrantievermogen van topicale geneesmiddelen is afhankelijk van:
- hydratietoestand van de huid
- dikte van het stratum corneum (hoornlaag)
- lokalisatie van de dermatose (plooi, gelaat, dunne/dikke huid)
- applicatie onder plastic occlusie (meer penetratie door betere hydratie).
Onderzoek naar de huid
Er wordt gestart met een korte oriënterende anamnese. Hierna volgt inspectie van de huid, nagels, haren en
slijmvliezen. Vervolgens wordt een anamnese afgenomen. Aanvullend onderzoek kan nodig zijn.
Provoke = een manier van systematische beschrijving van een huidafwijking. Het staat voor plaats,
rangschikking, omvang, vorm, omtrek, kleur en efflorescenties.
P = plaats. De meeste huidziekten hebben hun voorkeurslokalisaties. Enkele gebieden die niet direct in het oog
springen, dient men systematisch te onderzoeken. Dit zijn het behaarde hoofd, achterste haargrens, nek,
achter de oren, oksels, submammair, genitalia, onder de voeten, tussen de tenen, nagels en slijmvliezen.
Bij de lokalisatie hoort ook de uitbreiding. Daarnaast is het van belang te vermelden of de eruptie
symmetrisch of asymmetrisch is. De uitbreidingen zijn:
- solitair (enkel beperkt tot de laesie) - circumscript (beperkt tot een klein gebied)
- regionaal (beperkt tot een groter gebied) - gegeneraliseerd (over een groot gedeelte van de huid)
- universeel (verspreid over de hele huid) - segmentaal (in het verzorgingsgebied van een ganglion)
R = rangschikking. De rangschikking van de laesies zegt iets over hun onderlinge samenhang. Deze kan zijn:
- gegroepeerd
- Corymbiform (moederlaesie met satellieten) - Annulair (ringvormig)
- Lineair (lijnvormig) - En bouquet (dicht op elkaar)
,- gedissemineerd (gegeneraliseerd en gelijkmatig verdeeld) - diffuus (aaneengesloten)
- discreet (van elkaar gescheiden) - reticulair (netvormig)
- confluerend (samenvloeiend) - folliculair (gebonden aan de follikels)
O = omvang. De omvang wordt bepaald door het aantal laesies en de grootte van de laesies. Het aantal kan
men het beste in een getal uitdrukken, ook als het vele laesies betreft (tiental of honderdtal). De grootte wordt
eveneens bij voorkeur in getal uitgedrukt:
- miliair = 1-3 mm - lenticulair = 3-10 mm
- nummulair = 1-3 cm - kinderhandpalmgroot = 3-5 cm
- handpalmgroot 5-10 cm
V = vorm. Met de vorm wordt meestal de 2D vorm van de laesies bedoeld. Deze kan zijn:
- rond - ovaal - circinair (onderbroken cirkel)
- polygonaal (veelhoekig) - polycyclisch (veelbochtig) - archiform (boogvormig)
- rechthoekig - lineair (lijnvormig) - annulair (ringvormig)
- gegyreerd (geslingerd) - dendritisch (vertakt) - grillig
- concentrisch (ringen in elkaar) - kokardevormig (ring)
Aan alles wat verheven is, kan met ook een 3D vorm toekennen. Deze kan zijn:
- Bolrond (koepelvormig) - Bolrond met indeuking - Hemisferisch
- Vlak - Spits (kegelvormig) - Gesteeld
- Hobbelig - Opgeworpen rand
O = omtrek. Over de omtrek of begrenzing kan men meestal maar weinig zeggen. Deze kan variëren van
lijnscherp, scherp, matig scherp tot onscherp.
K = kleur. De kleur kan een belangrijk kenmerk zijn van een huidafwijking. De meeste dermatosen zijn lichtrood
van kleur. Men moet daarbij een onderscheid maken tussen:
- wedrukbare roodheid = bloedvatverwijding > erytheem
- niet-wegdrukbare roodheid = erytrocytenextravasatie > purpura
- roodheid met appelmoeskleur/apple jelly aspect > granulomateuze ontsteking
E = efflorescenties. Men onderscheidt de volgende:
- macula: omschreven kleurverandering in het niveau van de huid zonder epidermale of dermale afwijkingen.
- dyschromia: kleurverandering van de huid die niet berust op vaatverwijding (geen roodheid)
- erythema: rode kleurverandering van de huid die berust op vaatverwijding (wegdrukbare roodheid)
- purpura: zichtbare bloeding van de huid of slijmvliezen (niet wegdrukbare roodheid)
- teleangiectasia: blijvende verwijding van de kleinere bloed- of lymfevaten (wegdrukbare roodheid)
, - papula: circumscripte solide verhevenheid van de huid (<1 cm) die ontstaan is door cel-, weefsel- of
vochttoename en die geneest zonder littekenvorming.
- urtica: vlakke circumscripte vluchtige verhevenheid van de huid ten gevolge van oedeemvorming in de
dermis, ontstaan door vasodilatatie en verhoogde vaatpermeabiliteit (kwabbels)
- nodulus: circumscripte palpabele weerstand in de cutis of subcutis gelegen, al dan niet boven de huid
verheven (< 1 cm), genezend met littekenvorming (niet altijd zichtbaar).
- nodus: als nodulus, maar > 1 cm, genezend met littekenvorming (niet altijd zichtbaar)
- plaque: solide vlakke verhevenheid van de huid > 1 cm
- vesicula: zichtbare holte gevuld met helder vocht, zonder eigen wand, < 1 cm gelokaliseerd in de epidermis
- bulla: als vesicula, > 1 cm, subcorneaal, intra- of sub-epidermaal gelegen (blaar)
- pustula: zichtbare holte gevuld met purulent vocht zonder eigen wand, < 1 cm, meestal in de epidermis (puist)
- squama: loslatend conglomeraat van hoorncellen, wat zorgt voor schilfering
- pityriasiform: zemelachtig, zeer klein, lijkt poeder
- psoriasiform: plaatjesvormig, wit, zilverachtig glanzend (kaarsvet, door weinig eiwit)
- ichthyosiform: visschubachtig, in rijen naast elkaar, ruitvormig
- keratotisch: eeltvormig, brokkelig
- craquelé: gebarsten, grof netwerk van fijne barstjes