Drangstoornis = een te sterke aandrang, neiging of opwelling om een bepaalde lustvolle, ongewenste of norm
overschrijdende handeling te verrichten. Bij drang streeft de patiënt naar een belevingsaspect in de vorm van
een fantasie of emotie die met die dranggedachte verbonden is, en eventueel naar de vervulling ervan
(dranghandeling). Dan treedt een periode van ontspanning op, totdat de dranggedachte opnieuw optreedt.
Parafiele stoornissen = preoccupatie met een ongewone seksuele fantasie (dranggedachte) met het verlangen
naar seksuele bevrediging door masturbatie of daadwerkelijk seksueel contact. Het veroorzaakt lijdensdruk,
sociale beperkingen of schade voor derden.
Hands-off stoornissen
Exhibitionismestoornis = lust om genitaal te exposeren tegenover nietsvermoedende passanten met de
fantasie dat die daardoor geïmponeerd raken.
Voyeurismestoornis = seksuele opwinding door het bespieden van personen.
Fetisjismestoornis = aan specifiek voorwerp of lichaamsdeel wordt op een moment van seksuele prikkeling een
aantrekkingskracht verbonden die leidt tot een orgasme.
Transvestiestoornis = kleden in kleding van het andere geslacht en daar seksueel opgewonden door raken.
Scatologische stoornis = intimiderend seksueel hijgen of obsceniteiten uitspreken of schrijven via de telefoon,
een brief of sociale media, terwijl je onbekend wilt blijven.
Hands-on stoornissen
Frotteurismestoornis = seksuele prikkeling door aanraken of tegen iemand aandrukken zonder toestemming.
Pedofiele stoornis = hebben van seksuele fantasieën over kinderen en ook naar deze seksuele drang handelen.
Seksueel-sadismestoornis = opwekken van seksuele lust door het zien lijden van het slachtoffer bij het bewust
toebrengen van lichamelijke pijn of vernedering tegen diens uitdrukkelijke wil in.
Seksueel-masochismestoornis = seksuele lust uit lichamelijk lijden, mishandeling of vernedering bij zichzelf, die
door iemand anders wordt toegebracht.
Zoöfiele stoornis = via coïtus/contact met een dier wordt gestreefd naar seksuele opwinding en een orgasme.
Coprofiele of urofiele stoornis = seksuele opwinding door het ruiken en tot je nemen van feces of urine.
Necrofiele stoornis = seksueel geprikkeld raken en seksueel contact hebben met dode/bewusteloze personen.
Behandeling van parafilieën kan door libidoremmende LH- of tesosteronantagonisten en SSRI’s. Maar hierbij
wordt niet de parafilie behandeld, alleen een deel van de lust. Er worden redelijke resultaten gemeld van
cognitie gerichte therapieën waarbij wordt geprobeerd het symptoomgedrag te voorkomen.
Stoornis in impulsbeheersing = dingen doen door een drang, waarbij ze zichzelf niet beleven als degene die dat
gedrag overwogen heeft en zij verkrijgen er verder geen winst aan behalve het stillen van de behoefte.
Periodieke explosieve stoornis = onbeheerste uitbarstingen van woede/agressie tegen anderen of materiële
zaken, niet in verhouding met de aanleiding. Spijtgevoelens en niet-gewilde verwondingen treden achteraf op.
Pyromanie = toenemende drang om brand te stichten zonder winstoogmerk en motief. De drang kent voorpret
met fantasieën over de brand, aandrang tot handelen, verzet, de brandstichting, de ontsnapping en trots.
Kleptomanie = drangmatig stelen van op zichzelf weinig waardevolle voorwerpen, waarbij het stelen en het
wegkomen lustvol is. Een sombere stemming is vaak de aanleiding en financiële motieven zijn niet aanwezig.
Pathologisch liegen = niet het liegen om er financieel beter van te worden of een veroordeling te ontlopen,
maar voor het scheppen van een identiteit voor eigenwaarde.
Automutilatie = drangmatig verwonden door zichzelf te snijden, te krabben, te branden of te plukken om een
eerder bestaande spanning of boosheid te verlichten. Opluchting en plezier volgen daarna.
Behandeling stoornissen in impulsbeheersing is lastig, want de lust verbonden aan het uitvoeren is zeer sterk.
Bovenal is het belangrijk om via een cognitieve gedragstherapie de patiënt te motiveren om de schadelijkheid
van zijn handelingen duidelijk te maken, en hem alternatieven aan te leren. Dit kan door ondersteunende
gesprekken en gerichte opdrachten, eventueel met impuls dempende medicatie (antipsychotica).
De dranggedachten gaan gepaard met spanning en prikkelbaarheid, die overgaan in lustgevoelens en
ontspanning na uitvoering. Daarna kan de betreffende persoon zich schuldig gaan voelen, zich schamen of
gekrenkt zijn. Dit kan weer zorgen voor een nieuwe dranghandeling.
, Ze ontstaan vaak in de vroege adolescentie en lijken een symptoom te zijn van een slechte sociale ontwikkeling
en aanpassing. Rond het 50e jaar zie je verbetering, maar de recidiefkans tot dan is heel erg groot. Het is
moeilijk om te diagnosticeren, omdat patiënten uit schaamte of angst om juridisch vervolgd te worden erover
zwijgen, hun verantwoordelijkheid bagatelliseren of de verantwoordelijkheid buiten zichzelf leggen. De drang
geeft daarnaast voor hun zelf geen lijdensdruk en is dus geen reden om erover te klagen.
Ontwikkelingsstoornissen
Kenmerkend voor de ontwikkelingsstoornissen is dat de symptomen ontstaan zijn in de kindertijd en moet
voortduren tot in de volwassenheid. Je onderscheidt de volgende:
Autismespectrumstoornis = persisterende deficiënties in sociale communicatie en interactie in uiteenlopende
situaties, zoals deficiënties in de sociaal-emotionele wederkerigheid, in het non-verbale communicatieve
gedrag of in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties.
Het geeft ook beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten, zoals blijkt uit 2:
- Stereotiepe of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of spraak
- Hardnekkig vasthouden aan hetzelfde en inflexibel gehecht zijn aan routines of patronen van gedrag.
- Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal intens of gefocust zijn.
- Hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels of ongewone belangstelling voor aspecten van de omgeving.
De symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege ontwikkelingsperiode, maar zie je vaak wanneer de sociale
eisen de vermogens overstijgen. Het is ingedeeld in 3 niveaus, waarvan niveau 3 een zeer substantiële
ondersteuning vereist, terwijl 1 de normale ondersteuning vereist.
Theory of mind is dat je een idee kan vormen over dat mensen anders kunnen denken/doen dan jij dat doet. Je
opvattingen, verlangens en emoties kunnen afwijken van die van een ander. Het gaat om verplaatsen in iemand
anders of iemand kunnen begrijpen.
Sociale (pragmatische) communicatiestoornis = een probleem met pragmatiek, dus met het sociale gebruik
van taal en communicatie aangepast aan de context en de behoeften van de luisteraar.
Het is persisterende moeite met het sociale gebruik van verbale en non-verbale communicatie, zoals blijkt uit:
- Deficiënties in het gebruik van communicatie voor sociale doeleinden, zoals groeten en informatie uitwisselen
- Beperking van het vermogen om communicatie aan te passen aan de context/behoeften van de luisteraar
- Moeite met het volgen van regels voor gespreksvoering en het vertellen van verhalen, zoals om de beurt
praten, herformuleren bij een misverstand en weten wanneer signalen gebruikt worden.
- Moeite met begrijpen wat niet expliciet is gezegd en van de niet-letterlijke of ambigue betekenissen van taal.
ADHD = overbeweeglijkheid, rusteloosheid en impulsief gedrag, in combinatie met een gebrek aan aandacht en
concentratie, zich uitend in minstens 2 levenssituaties. Je ziet vooral aandachtsdeficiënties en hyperactiviteit-
impulsiviteit. 50% heeft een chronisch persisterend beloop. AHDH komt bij 2-5% van alle kinderen voor en is
een van de meest frequent voorkomende stoornissen in de leeftijd 0-18 jaar. Steeds meer volwassenen
herkennen bij zichzelf symptomen en worden hiervoor behandeld. De ernst specificeer je als licht, matig of
ernstig. Aandachtsproblemen blijven als volwassene, terwijl hyperactiviteit en impulsiviteit vaak vervagen.
Het is een persisterend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit, gekenmerkt door:
(1) Onoplettendheid. Minstens 5 van de volgende symptomen zijn gedurende 6 maanden:
- Niet voldoende aandacht voor details/fouten - Moeite om aandacht bij taken te houden
- Lijkt niet te luisteren bij direct aanspreken - Volgt aanwijzingen niet en maakt niks af
- Heeft moeite met het organiseren van taken - Vermijdt langdurige geestelijke inspanning
- Raakt dingen kwijt die nodig zijn voor taken - Wordt snel afgeleid door uitwendige prikkels
- Is vergeetachtig tijdens dagelijkse bezigheden
(2) Hyperactiviteit en impulsiviteit. Minstens 5 van de volgende symptomen gedurende 6 maanden:
- Beweegt onrustig met handen en voeten - Staat op als je op je plaats moet blijven zitten