d. Botziekten D2
Osteoradionecrose
Osteoradionecrose is een chronische vorm van osteomyelitis, ontsteking van bot of
beenmerg, en ontstaat door stralingstherapie. Kan bij geringe druk op de wekedelen al
ontstaan, zoals een drukkende prothese. Door de straling is de vascularisatie veranderd,
waardoor het regeneratievermogen van vooral de OK afneemt. De spontane vorm treed
binnen 1 jaar na bestraling op van een hoge dosis (>40 Gy). Vooraf aan bestraling moeten
zoveel mogelijk intensieve behandelingen worden uitgevoerd, anders altijd behandelen met
antibioticumprofylaxe, om de botspiegel op een optimaal niveau te brengen.
- Amoxicilline; 500mg 3x per dag (één dag voor ingreep, twee weken doorslikken)
- Clindamycine; 300mg 4x per dag (één dag voor ingreep, twee weken doorslikken)
Ook een langdurige antibioticakuur of een hyperbare zuurstof therapie kunnen werkzaam
zijn. Osteoradionecrose is niet altijd te genezen.
Bisfosfonatennecrose
bij botziekten en osteoporose worden bisfosfonaten gebruikt om botresorptie tegen te gaan.
Bij ingrepen in de mondholte kan dan kaakbotnecrose ontstaan.
- Intraveneuze bisfosfonaten; prevalentie 4%-10%, 90% resorptie in bot.
- Orale bisfosfonaten; prevalentie <0.1%, 1%-5% resorptie in bot.
Een belangrijk klinisch kenmerk van kaakbotnecrose is geel/wit blootliggend bot met
ontstoken tandvlees en slijmvlies. Het bot is glad en bloed niet bij aanraking. Op den duur
wordt het ruw en bruin. Het necrotiserende bot kan worden verwijderd, desinfectie en
antibiotica kunnen worden gebruikt, tevens dient het blootliggende bot te worden afgedicht
met mucosa. Wanneer kaakbotnecrose is ontstaan helpt het niet de bisfosfonaten therapie te
stoppen. De bisfosfonaten hebben nog na de laatste behandeling invloed op de
botstofwisseling. Een goede mondhygiëne is van groot belang.
Het effect van bisfosfonaten berust op innesteling in het bot en een remmende werking van
de osteoclasten (50% minder fracturen). Wanneer osteoclasten het bot resorberen komen ze
in aanraking met het bisfosfonaat en wordt het opgenomen in de cellen, waarna het
apoptose ondergaat (interfase). De botdichtheid neemt toe, hierdoor neemt de vascularisatie
van het bot af. Doordat het bot niet meer kan adapteren aan nieuwe fysiologische
omstandigheden of trauma ontstaat kaakbotnecrose.
- Zolendroninezuur geeft de grootste kans op kaakbotnecrose
Intraveneuze bisfosfonaten Orale bisfosfonaten
Kaakbotnecrose is een multifactoriële aandoening, Clodroninezuur Alendroninezuur
kan ik combinatie met andere ziekte versterkend Pamidroninezuur Risedroninezuur
Zoledroninezuur Ibandroninezuur
voorkomen of met medicijnen. Kaakbotnecrose kan
worden vastgesteld aan blootliggend bot zonder enige genezingstendens (6 weken).
Osteomalacie
Is het onvoldoende mineraliseren van nieuw aangemaakt bot, hierdoor wordt het bot zacht
en ontstaan er microfracturen. Wordt veroorzaakt door een verstoring in het vitamine-D
metabolisme, leverfunctiestoornis of nierfunctiestoornis. Aan te tonen door verlaagd 25-
hydroxvitmanine-D gehalte en verlaagd calcium- en fosfaatgehalte en een verhoogde
alkalische fosfatase.
Osteoradionecrose
Osteoradionecrose is een chronische vorm van osteomyelitis, ontsteking van bot of
beenmerg, en ontstaat door stralingstherapie. Kan bij geringe druk op de wekedelen al
ontstaan, zoals een drukkende prothese. Door de straling is de vascularisatie veranderd,
waardoor het regeneratievermogen van vooral de OK afneemt. De spontane vorm treed
binnen 1 jaar na bestraling op van een hoge dosis (>40 Gy). Vooraf aan bestraling moeten
zoveel mogelijk intensieve behandelingen worden uitgevoerd, anders altijd behandelen met
antibioticumprofylaxe, om de botspiegel op een optimaal niveau te brengen.
- Amoxicilline; 500mg 3x per dag (één dag voor ingreep, twee weken doorslikken)
- Clindamycine; 300mg 4x per dag (één dag voor ingreep, twee weken doorslikken)
Ook een langdurige antibioticakuur of een hyperbare zuurstof therapie kunnen werkzaam
zijn. Osteoradionecrose is niet altijd te genezen.
Bisfosfonatennecrose
bij botziekten en osteoporose worden bisfosfonaten gebruikt om botresorptie tegen te gaan.
Bij ingrepen in de mondholte kan dan kaakbotnecrose ontstaan.
- Intraveneuze bisfosfonaten; prevalentie 4%-10%, 90% resorptie in bot.
- Orale bisfosfonaten; prevalentie <0.1%, 1%-5% resorptie in bot.
Een belangrijk klinisch kenmerk van kaakbotnecrose is geel/wit blootliggend bot met
ontstoken tandvlees en slijmvlies. Het bot is glad en bloed niet bij aanraking. Op den duur
wordt het ruw en bruin. Het necrotiserende bot kan worden verwijderd, desinfectie en
antibiotica kunnen worden gebruikt, tevens dient het blootliggende bot te worden afgedicht
met mucosa. Wanneer kaakbotnecrose is ontstaan helpt het niet de bisfosfonaten therapie te
stoppen. De bisfosfonaten hebben nog na de laatste behandeling invloed op de
botstofwisseling. Een goede mondhygiëne is van groot belang.
Het effect van bisfosfonaten berust op innesteling in het bot en een remmende werking van
de osteoclasten (50% minder fracturen). Wanneer osteoclasten het bot resorberen komen ze
in aanraking met het bisfosfonaat en wordt het opgenomen in de cellen, waarna het
apoptose ondergaat (interfase). De botdichtheid neemt toe, hierdoor neemt de vascularisatie
van het bot af. Doordat het bot niet meer kan adapteren aan nieuwe fysiologische
omstandigheden of trauma ontstaat kaakbotnecrose.
- Zolendroninezuur geeft de grootste kans op kaakbotnecrose
Intraveneuze bisfosfonaten Orale bisfosfonaten
Kaakbotnecrose is een multifactoriële aandoening, Clodroninezuur Alendroninezuur
kan ik combinatie met andere ziekte versterkend Pamidroninezuur Risedroninezuur
Zoledroninezuur Ibandroninezuur
voorkomen of met medicijnen. Kaakbotnecrose kan
worden vastgesteld aan blootliggend bot zonder enige genezingstendens (6 weken).
Osteomalacie
Is het onvoldoende mineraliseren van nieuw aangemaakt bot, hierdoor wordt het bot zacht
en ontstaan er microfracturen. Wordt veroorzaakt door een verstoring in het vitamine-D
metabolisme, leverfunctiestoornis of nierfunctiestoornis. Aan te tonen door verlaagd 25-
hydroxvitmanine-D gehalte en verlaagd calcium- en fosfaatgehalte en een verhoogde
alkalische fosfatase.