Literatuur: Matlin (hst 5), Robinson (hst 7) & Gluck (hst 3) + Artikel
Autobiografisch geheugen (vignet A)
Autobiographical memory: geheugen voor gebeurtenissen en zaken gerelateerd aan jezelf.
Deze bevat vaak verbale verhalen, beelden van de gebeurtenissen, emotionele reacties en
procedurele informatie (vb. regels). Meerdere variabelen hebben invloed op de vorm en
kwaliteit van autobiografische herinneringen, zoals emotie, ontwikkelingsfase, geslacht en
culturele achtergrond.
Conway maakte onderscheid tussen autobiographical memory en autobiographical facts:
Autobiographical memory: karakteriseert een ervaring of herinnering (vb.
gebeurtenissen die plaatsvinden op je trouwdag). Wanneer je aan zo’n herinnering
terugdenkt, kun je deze als het ware ‘herbeleven’: je kunt alles zien, horen en voelen
wat er die dag allemaal heeft plaatsgevonden. Een ander kenmerk is dat we een
eigen interpretatie en reactie hebben op de gebeurtenissen. De waarheid van deze
herinneringen kan echter verschillen, het is immers een eigen interpretatie.
Autobiographical fact: iets wat we weten over ons leven (vb. we hebben een Maine
Coon kat). Hierbij is geen sprake van een ‘herbeleving’, want het gaat om feiten. Ook
is er geen sprake van een eigen interpretatie. De waarheid van deze feiten staat vast.
Sommige herinneringen kunnen van autobiographical memories veranderen naar
autobiographical facts (herinneringen gaan van specifiek naar algemeen over tijd).
Episodic memories (herinneren) zijn herinneringen van gebeurtenissen die je persoonlijk
hebt ervaren en kunnen worden gebonden aan een specifieke tijd en plaats. Deze zouden
overeenkomen met autobiographical memories. Semantic memories (weten) zijn
herinneringen voor feiten of algemene kennis over de wereld en zijn niet gebonden aan een
specifieke context (tijd of plaats). Deze zouden overeenkomen met autobiographical facts.
Episodisch geheugen kan in één blootstelling worden verkregen, namelijk de
gebeurtenis. Semantisch geheugen heeft vaak meerdere blootstellingen nodig om
volledig te worden verkregen (vb. Franse vocabulaire leren).
Functies van het autobiografisch geheugen:
1. Communicative function: het hebben van gedetailleerde en persoonlijke
herinneringen en deze vertellen zorgt voor sterkere connecties onderling.
2. Emotional function: het helpt ons met het organiseren, reflecteren en denken over
belangrijke levensgebeurtenissen.
3. Directive function: het herinneren van persoonlijk ervaren gebeurtenissen in detail
kan helpen in het richten van toekomstig gedrag (vb. verkeerde persoon vertrouwd).
Onderzoeksmethodes voor autobiografisch geheugen (vignet A)
Targeted event recall: hierbij moeten participanten specifieke gebeurtenissen uit het eigen
leven ophalen. Vaak is bevestigende informatie beschikbaar, door het openbaar register of
, een familielid. De manier waarop je autobiografische gebeurtenissen probeert op te halen
zou invloed hebben op je subjectieve gevoelens tegenover die herinnering. Onderzoek van
Lam en Buehler bekeek of het ophalen van een herinnering voorwaarts of achterwaarts
plaatsvond en wat voor invloed dit had op de subjectieve afstand van de persoon:
Voorwaarts: de participant creëerde een verhaal over hoe de persoon in het verleden
zich ontwikkelde tot de huidige persoon. Er is hier dus sprake van verandering en
omdat verandering tijd kost, zou de persoon het gevoel hebben verder weg te staan
van de gebeurtenis (more subjective distance). feels like a lifetime ago
Achterwaarts: de participant creëerde een serie aan individuele gebeurtenissen die
niet verbonden leken. Hier focus je dus niet op verandering (persoonsontwikkeling)
en dat betekent dat weinig tijd is gepasseerd. Dus zou de persoon het gevoel hebben
dichterbij de gebeurtenis te staan (less perceived distance). feels like yesterday
Diary technique: hierbij houdt de participant een dagboek bij van gebeurtenissen die
plaatsvinden in het dagelijks leven. Met deze techniek kunnen standvastigere conclusies
worden gemaakt over de nauwkeurigheid van het autobiografisch geheugen, omdat alle
onthouden gebeurtenissen gedateerd zijn in het dagboek. Ook kunnen de processen worden
begrepen waarmee we onze autobiografische herinneringen in tijd plaatsen.
(Galton-Crovitz) Cue-words technique: participanten krijgen word cues gepresenteerd en
moeten een autobiografische herinnering ophalen geassocieerd met elke cue. Vervolgens
moeten ze de gebeurtenissen beschrijven en dateren. Zo kan de verdeling van persoonlijke
herinneringen van over de hele levensduur worden onderzocht (retention function).
Ontwikkelingsaspecten van autobiografisch geheugen (vignet A)
De eerdergenoemde retention function (Rubin) van het autobiografisch geheugen laat een
patroon zien met o.a. drie basisfenomenen:
1. Childhood amnesia: van 0-3 jaar zijn er bijna geen herinneringen. Studies die dit
onderzoeken hebben vaak een probleem: wanneer participanten een gebeurtenis
van vroeger herinneren, is er geen garantie dat ze dit werkelijk herinneren (vb. het
kan ook iemand anders beschrijving van de gebeurtenis zijn). Om dit probleem te
vermijden, worden alleen naar gebeurtenissen gevraagd die kunnen worden
bevestigd. Wanneer childhood amnesia eindigde, bleek af te hangen van de
gebeurtenis (vb. geboorte van een broer werd eerder herinnerd dan herinneringen
van sterfte, waarschijnlijk omdat die gebeurtenis steeds opnieuw verteld werd).
- Brain development: een mogelijke oorzaak van childhood amnesia is dat bepaalde
breinstructuren nog niet ontwikkeld zijn. Vb. de hippocampusgebieden zijn
onderontwikkeld en deze zijn belangrijk in het vormen van nieuwe lange-
termijnherinneringen. Echter kan dit niet verklaren hoe kinderen van 2-3 jaar
gebeurtenissen herinneren van toen ze 1-2 jaar waren.
- Development of language: een andere verklaring is dat de ontwikkeling van het
autobiografisch geheugen samen zou gaan met de ontwikkeling van taal (dus ze
beginnen dingen te herinneren, zodra ze deze kunnen beschrijven met taal). De
grootste verbale ontwikkelingen vinden plaats tussen 2-4 jaar, dus zou het