Literatuur: Matlin (hst 8), Reisberg (hst 9)
Semantic memory (vignet A)
Semantic memory: je georganiseerde kennis over de wereld. Het gaat hierbij om kennis of
informatie; het specificeert niet hoe we deze informatie hebben verkregen. Het bevat
algemene kennis, taalkennis en conceptuele kennis. Categorieën en concepten zijn
essentiële componenten van het semantisch geheugen:
Categorieën: een set van objecten die bij elkaar horen. Een categorie vertelt je
eigenlijk iets nuttigs over de bijbehorende objecten (kenmerken). Vb. fruit is een
bepaalde categorie van eten.
Concepten: je mentale representaties van een categorie. Vb. je hebt een concept van
fruit, wat verwijst naar je mentale representatie van de objecten in die categorie.
Situated cognition approach: we zouden gebruik maken van informatie uit de onmiddellijke
omgeving of situatie. Daardoor hangt onze kennis vaak af van de context om ons heen.
Benaderingen van semantisch geheugen (vignet A)
Feature-comparison model: de nadruk wordt gelegd op semantische kenmerken. Het model
stelt dat er twee verschillende typen kenmerken zijn:
1. Defining features: zijn essentiële aspecten voor de betekenis van het item. Vb. een
roodborstje is levend, heeft veren, heeft vleugels, heeft een rode borst.
2. Characteristic features: vormen geen deel van de definitie van het item, maar zijn
toch beschrijvend van het item. Vb. een roodborstje vliegt, zit in bomen, heeft geen
huis, is nogal klein.
Bepalen of iets bij een categorie hoort zowel de defining features en characteristic
features van het item en van de categorie worden vergeleken in de mate waarin ze gelijk zijn
aan elkaar. Wanneer er een hoge mate van overeenkomst is, hoort het bij de categorie.
Wanneer er weinig overeenkomst is, hoort het niet bij de categorie. Wanneer de
overeenkomst middelmatig is, worden alleen de defining features vergeleken en wordt op
basis daarvan een beslissing gemaakt. Kritiek:
- Teveel verschillende vormen.
- Legt verband tussen concepten niet uit.
Prototype approach (Rosch): we beslissen of items bij een bepaalde categorie horen door
deze te vergelijken met een prototype. Een prototype is het item dat het beste, meest
typische voorbeeld is van een categorie; het is dus de ideale representatie van de categorie.
In werkelijkheid is het echter vaak het gemiddelde van de verschillende categorieleden (vb.
het prototype van ‘hond’ heeft de gemiddelde kleur en grootte van alle honden die je hebt
gezien). Wanneer het item gelijkwaardig is aan het prototype voeg je het item toe aan de
categorie (vb. roodborstje komt overeen met het prototype van de categorie ‘vogel’).
, Er is echter een implicatie aanwezig fuzzy boundary: elke categorie heeft als het
ware een vage grens, zonder duidelijke specificatie van welke items wel/niet bij de
categorie horen.
Items binnen een categorie verschillen in hun prototypicality: de mate waarin ze
representatief zijn voor hun categorie. Vb. een roodborstje is representatief voor de
categorie ‘vogel’, maar een struisvogel is non-representatief.
Een categorie neigt vaak een graded structure/graded membership te hebben. Deze
begint met de meest representatieve items van een categorie en gaat door op de
non-representatieve.
Eigenschappen van prototypes: prototypes verschillen van niet-prototypes op drie manieren:
1. Prototypes are supplied as examples of a category: mensen vinden sommige items
betere voorbeelden van een concept dan andere items. Oftewel, als iemand je vraagt
een item uit een categorie te noemen, noem je vaak het prototype. Daarnaast kan de
prototype benadering het typicality effect verklaren. Dit vindt plaats wanneer
mensen typische items sneller kunnen beoordelen dan niet-typische items.
2. Protoypes are judged more quickly than nonprototypes, after semantic priming: het
semantic priming effect houdt in dat mensen sneller reageren op een item als
daarvoor een item met een gelijke betekenis was gepresenteerd (vb. sneller reageren
op het woord appel als daarvoor het woord peer voorkwam). Het vergemakkelijkt
reacties van mensen op prototypes meer dan reacties op non-prototypes.
3. Prototypes share attributes in a family resemblance category: family resemblance
houdt in dat geen enkele eigenschap wordt gedeeld door alle items in een categorie,
maar elk item heeft tenminste één eigenschap gemeenschappelijk met een ander
item in de categorie.
Het testen van prototypes:
Sentence verification task: participanten krijgen zinnen te zien en moeten aangeven of deze
goed of fout is (door een knop in te drukken). Wanneer er veel gelijkenis is tussen het item
in de zin en hun prototype voor die categorie, kunnen participanten sneller beslissen.
Oordelen over items die verder weg staan van het prototype kost meer tijd.
Production task: mensen moeten zoveel mogelijk items uit een bepaalde categorie noemen
(vb. vogels of honden). Volgens de prototype benadering zouden ze eerst de items het
dichtstbij het prototype noemen en later items verder van het prototype.
Het blijkt dat items van een categorie die ‘bevoorrecht’ zijn op de ene taak (vb. hadden de
snelste reactietijd), ook ‘bevoorrecht zijn’ op andere taken (vb. worden het eerst genoemd).
Oftewel, dezelfde categorieleden worden als speciaal gezien op verschillende taken.
Ook kan een object worden gecategoriseerd op verschillende levels:
Superordinate-level categories: dit zijn higher-level of meer algemene categorieën
(vb. meubel, dier of gereedschap).
Basic-level categories: zijn redelijk specifiek (vb. stoel, hond of schroevendraaier).
Deze hebben een speciale status, omdat ze nuttiger zijn dan andere categorieën: