Literatuur: Robinson (hst 10) & Reed (hst 11) + Artikelen
Discourse comprehension (vignet A)
Discourse: taalkundige output langer dan een zin, bijvoorbeeld zinnen of stukken tekst.
Discourse comprehension: het begrijpen van een reeks zinnen en paragrafen, waarbij de
belangrijkste onderwerpen worden onthouden en begrepen.
Onze representatie van discourse bestaat uit verschillende niveaus (Dijk & Kintsch):
1. Surface code: verwijst naar de precieze bewoording.
2. Text base: verwijst naar de belangrijkste feiten en onderwerpen.
3. Situation model: verwijst naar de wereld die het creëert, door een combinatie van de
plaatsen, omgeving, mensen in het verhaal en de voorkennis van de lezer. Door het
combineren van deze informatie kan de lezer de situatie in de tekst begrijpen.
Het vormen van zo’n situated model zou mentale stimulatie bevatten, oftewel het
verplaatsen van jezelf in de actie waarover je leest. Dit komt overeen met het enactment
effect: het uitvoeren van een beschreven actie leidt tot beter geheugen van de
corresponderende zin dan het alleen lezen.
Onderzoek Ditman: participanten moesten reeksen zinnen lezen met het voornaamwoord
‘ik’, ‘jij’ of ‘hij’. Het bleek dat het geheugen voor zinnen met ‘jij’ vooral goed was en de
reactietijd op de latere recognition task was het snelst voor die zinnen. Dit komt overeen
met het enactment effect: als je zelf als het ware een gebeurtenis ervaart (oftewel inbeelden
dat je het ervaart), onthoudt je het beter.
Integration of details: drie factoren kunnen comprehension beïnvloeden:
1. Het integreren van de details van een zin is moeilijker wanneer de ideeën niet
gerelateerd zijn aan de ideeën uit eerdergenoemde zinnen (=given-new contract).
2. Het integreren van de details van een zin is moeilijker wanneer de eerdergenoemde
ideeën niet meer actief zijn in het kortetermijngeheugen, maar moeten worden
opgehaald uit het langetermijngeheugen (vb. verhaaltje bosbrand).
3. Het integreren van de details van een zin is moeilijker wanneer de ideeën niet direct
aan elkaar zijn gelinkt en de lezer daarom zelf een inference moet maken.
Structuur en samenhang (vignet A)
In hoeverre je discourse kunt begrijpen hangt niet alleen af van de inhoud, maar ook van de
coherence, oftewel de samenhang:
Local structure: expliciete en/of impliciete verbindingen tussen individuele zinnen.
Discourse met enigszins lokale structuur is veel makkelijker te begrijpen en
onthouden dan wanneer er geen sprake is van samenhang tussen zinnen.
Global structure: verwijst naar algemene kennis die we gebruiken bij wat we lezen.
Het gaat hierbij om de bredere context van het verhaal. Je hebt vb. een afbeelding
nodig om te begrijpen waar het stuk tekst nou over gaat.
, Factoren die invloed hebben op de samenhang:
Anaphoric reference: wanneer een huidige uitdrukking refereert naar iets wat je eerder in
de tekst bent tegengekomen. Vb. in de zin “Greg durfde niet naar de muziekwinkel om de
nieuwe cd van zijn favoriete groep te kopen”, verwijst ‘zijn’ naar Greg.
Anaphor: de verwijzende uitdrukking (‘zijn’).
Antecedents: de corresponderende events (Greg).
Belangrijk hierbij is de afstand tussen de anafoor en de antecedenten. Als je verwijst naar
een persoon die vijf/zes zinnen terug werd genoemd, is de kans klein dat de connectie wordt
gemaakt en dan verliest de tekst zijn samenhang. Het onmiddellijke geheugen speelt een
grote rol, omdat je de hoofdpersonen moet koppelen aan de juiste anaforen. Een
antecedent wordt makkelijker opgehaald wanneer het vaak wordt genoemd (frequency) in
de tekst of als het één van de eerste concepten is die in de tekst is genoemd (first mention).
Given and new information (given-new contract): verwijst naar een ‘impliciete
overeenkomst’ tussen schrijver en lezer. Dit houdt in dat alle discourse twee soorten
informatie bevat:
1. Given information: informatie waarvan wordt aangenomen dat de lezer dit weet
(een soort achtergrondinformatie, eerder genoemd in de tekst).
2. New information: informatie waarvan wordt aangenomen dat de lezer dit niet weet.
Drie componenten: 1. De lezer moet bepalen welke informatie in een zin wordt gegeven, en
wat nieuw is; 2. De lezer moet erachter komen waar de gegeven informatie naar refereert
eerder in de tekst; 3. De nieuwe informatie moet worden gelinkt aan dat deel van de tekst.
Inferences: conclusies die worden getrokken door de lezer, maar die niet expliciet in de tekst
staan beschreven. Ons vermogen om informatie te combineren met onze wereldkennis is
een belangrijke bron van samenhang voor de lezer.
Onderzoek Kintsch: participanten kregen of zinnen te zien waarin een event expliciet was
neergezet of waarin een event werd geïmpliceerd. Direct na het lezen van de tekst werden
zinnen met de expliciete feiten sneller geverifieerd dan zinnen waarin de feiten werden
geïmpliceerd. Echter verdween dit verschil na langere tijd.
Er wordt onderscheid gemaakt in typen inferences:
Bridging inference: een relatie die is opgebouwd om twee zinnen of ideeën te
verbinden die niet expliciet zijn verbonden. Ze worden ook wel backward inferences
genoemd, omdat we hierdoor materiaal dat we tegenkomen kunnen verbinden met
eerder materiaal (achterwaarts). Vb. Hank leerde om beter te dansen. De instructeur
was erg geduldig. Hieruit maken we op dat de instructeur Hank leert dansen.
Een vorm hiervan is causal inference waarin lezers erachter komen wat de
gebeurtenis heeft veroorzaakt waar ze net over lazen. Vb. toen Keisha over de
weg fietste, rende een eekhoorn de weg op. Seconden later lag Keisha met
haar fiets op de grond.