Literatuur: Sternberg (hst 11), Matlin (hst 11) & Robinson (hst 11) + Artikel
Problem solving (vignet A)
We gebruiken problem solving wanneer we een specifiek doel willen bereiken. De oplossing
is echter niet direct duidelijk, omdat je belangrijke informatie mist en/of het is niet duidelijk
hoe je het doel moet bereiken. Problemen bestaan altijd uit drie componenten:
Initial state: beschrijft de situatie aan het begin van het probleem.
Goal state: deze bereik je wanneer je het probleem oplost.
Obstacles: deze beschrijven de verhinderingen die het moeilijk maken om van de
initial state vooruit te werken naar de goal state.
Problem-solving cycle: deze bestaat uit verschillende stappen.
1. Problem identification: is er werkelijk sprake van een probleem?
2. Problem definition and representation: wat is precies het probleem?
3. Strategy formulation: hoe kunnen we het probleem oplossen?
Analysis vs synthesis: analysis is het opbreken van een complex probleem in
handelbare elementen. Synthesis is het samenvoegen van verschillende
elementen tot iets bruikbaars.
Divergent thinking vs convergent thinking: divergent denken is het bedenken
van diverse mogelijke alternatieve oplossingen voor een probleem. Convergent
denken is het beperken van verschillende mogelijkheden en deze samenvoegen
tot één beste antwoord.
4. Organization of information: hoe passen de verschillende delen van informatie in het
probleem bij elkaar?
5. Resource allocation: hoeveel tijd, moeite of geld moet je in het probleem stoppen?
Experts zouden hun mentale middelen vooral gebruiken voor globale planning,
terwijl beginners meer tijd besteden aan lokale planning. Vb. experts spenderen
vooraf meer tijd aan beslissen hoe het probleem moet worden opgelost. Hierdoor
neigen ze minder fouten te maken en dus tijd en energie te besparen.
6. Monitoring: loop ik op schema voor het oplossen van het probleem?
7. Evaluation: is het probleem correct opgelost?
Understanding the problem: dit houdt in dat je een goedgeorganiseerde mentale
representatie hebt gemaakt van het probleem, gebaseerd op zowel de informatie gegeven in
het probleem en je eigen eerdere ervaringen. Belangrijk in het begrijpen van problemen is
aandacht. Daarbij moet je aandacht geven aan het juiste deel van het probleem.
Twee benaderingen:
Situated cognition approach: we gebruiken nuttige informatie uit onze externe
omgeving om ruimtelijke representaties te creëren. Factoren uit de omgeving zouden
ons helpen competenter te worden in het begrijpen en oplossen van problemen.
, Embodied cognition approach: we gebruiken ons eigen lichaam en bewegingen om
onze abstracte gedachten en kennis te uiten. We zouden problemen sneller of
nauwkeuriger op kunnen lossen als we bepaalde delen van ons lichaam kunnen
bewegen. Deze beweging is gerelateerd aan het probleem.
Typen problemen (vignet A)
Well-structured problems: zijn duidelijk en gestructureerd; de initial state, goal state en de
verhinderingen worden allemaal begrepen. Vorm hiervan:
Move problems: deze problemen vereisen een serie aan bewegingen om het uiteindelijke
doel te behalen. Vb vignet A: drie hobbits en drie orcs moeten de rivier oversteken. Het
bootje moet minstens één en hooguit twee personen bevatten. Wanneer het aantal orcs aan
een van beide kanten hoger is dan het aantal hobbits, zullen ze de hobbits opeten. Hoe krijg
je ze allemaal aan de andere kant? Er zijn minstens 11 stappen nodig om het op te lossen.
Mensen zouden drie soorten errors maken bij het oplossen van ‘well-structured problems’:
Inadvertently moving backward: terugkeren naar een staat die verder weg is van het
einddoel. Vb. alle orcs en hobbits terugbrengen naar de eerste kant van de rivier.
Making illegal moves: het doen van een zet die niet is toegestaan volgens de
voorwaarden van het probleem. Vb. meer dan twee individuen in de boot zetten.
Not realizing the nature of the next legal move: wanneer men vast komt te zitten –
niet weten wat de volgende stap is, vanwege de huidige staat van het probleem. Vb.
realiseren dat een orc of hobbit terug moet naar de beginkant voordat je de
overgebleven karakters kunt verplaatsen.
Isomorphic problems: wanneer twee problemen dezelfde formele structuur hebben, maar
hun inhoud verschilt. Vb. het orcs en hobbits probleem, maar dan met missionaries en
cannibals. Het is vaak erg moeilijk om de onderliggende structuren van deze problemen te
observeren. Ook is het moeilijk om probleemoplossing strategieën van het ene probleem op
het ander toe te passen.
Ill-structured problems: zijn onduidelijk en abstract. Bij deze problemen is het moeilijk om
mentale representaties te maken van de problemen en de oplossingen. Zo is het moeilijk om
een plan te maken voor het volgen van een serie stappen die je dichter bij de oplossing
zouden brengen.
Vb. een vrouw trouwde 20 mannen die in dezelfde kleine stad woonden. Allen leven
nog en ook is ze nooit van één van hen gescheiden. Toch heeft ze geen wet
overtreden. Hoe? De oplossing voor dit probleem is dat de vrouw niet zelf getrouwd
is met de 20 mannen, maar ze heeft de huwelijksceremonie uitgevoerd als priester.
Oftewel, je moet je interpretatie van de term ‘trouwde’ herdefiniëren.
Insight problems: hierbij moet je het probleem anders zien dan hoe je het probleem eerst
zou zien en anders dan hoe je problemen in het algemeen zou oplossen. Oftewel, je moet je
representatie van het probleem herstructureren om het op te lossen. Wanneer je deze
alternatieve benadering te pakken hebt, realiseer je je gelijk dat de nieuwe oplossing correct