Literatuur: Hergenhahn (h12, 13, 14 & 18), Richards (h5, 6 & 7) + PDF (Gardner)
Behaviorisme
Terwijl structuralisme vooral focuste op introspectie om bewustzijn te begrijpen, bekeken
functionalisten zowel introspectie als de directe studie van gedrag. Sommige functionalisten
lieten introspectie los en focusten enkel op gedrag. Dit perspectief werd later behaviorisme.
John Broadus Watson (1878-1958) vond steun in de Russische objectieve psychologie. Zo
geloofden ze beiden dat bewustzijn gedrag niet kon veroorzaken, maar dat het simpelweg
een fenomeen is dat samengaat met fysiologische reacties op stimuli.
Volgens Watson was het doel van psychologie het voorspellen en controleren van gedrag.
Hij stelde dat er sprake zou zijn van vier typen gedrag:
Explicit learned behavior: zichtbaar gedrag dat kan worden aangeleerd, vb. praten.
Implicit learned behavior: niet-zichtbaar gedrag dat kan worden aangeleerd, vb. een
toename in hartslag veroorzaakt door het zien van een tandarts boor.
Explicit unlearned behavior: zichtbaar gedrag dat niet wordt aangeleerd, vb. niezen.
Implicit unlearned behavior: niet-zichtbaar gedrag dat niet wordt aangeleerd, vb.
veranderingen in de bloedsomloop.
Watson moest als behaviorist taal en denken reduceren naar dezelfde vorm als gedrag.
Daarom stelde hij dat spreken simpelweg een type van openlijk gedrag zou zijn. Daarbij
claimde hij dat denken impliciete of subvocale spraak zou zijn, omdat er sprake is van zeer
kleine bewegingen met de tong.
Eerst speelden instincten een belangrijke rol in Watson’s theorie, maar later wees hij dit
idee compleet af. Hij stelde dat er een paar simpele reflexen zijn (vb. niezen, huilen,
ademen), maar dat er geen complexe aangeboren gedragspatronen zouden bestaan.
Hij stelde met zijn radical environmentalism dat ervaring, en niet erfenis, mensen
zou maken hoe ze zijn. Persoonlijkheid zou dus kunnen worden veranderd door
ervaring te veranderen.
Wel geloofde hij dat er erfelijke verschillen in structuur bestaan die persoonlijke
eigenschappen kunnen beïnvloeden. Deze structuur zou interacteren met ervaring en
daardoor specifieke gedragspatronen veroorzaken.
Wat betreft emoties geloofde Watson dat mensen angst, woede en liefde zouden erven.
Deze basisemoties kunnen door leren worden uitgelokt door nieuwe stimuli en zouden elk
geassocieerd zijn met een bepaald patroon van externe reacties. Alle volwassen emoties
zouden voortkomen uit deze drie aangeboren emoties.
Experiment met Albert: Watson en Rayner lieten in dit experiment zien hoe de emotie angst
kan worden geassocieerd met andere stimuli dan die origineel de emotie uitlokte. Met
behulp van klassiek conditioneren leerden ze baby Albert aan om angst te ervaren bij het
zien van een rat, door deze steeds samen te presenteren met een hard geluid.
, Met behavior therapy kon een (aangeleerde) angst weer worden verwijderd, door de
angstopwekkende stimulus samen te presenteren met stimuli die de angst van de
persoon verminderen.
Volgens het behavioristisch perspectief moest men kinderen opvoeden als kleine
volwassenen. Je moet ze niet sentimenteel behandelen (vb. niet knuffelen), maar objectief.
Watson negeerde Thorndike’s law of effect over het belang van reinforcement, en
verklaarde leren in termen van contiguïteit en frequentie. Dit leek op het idee van Pavlov:
Law of frequency: in een leersituatie zou de juiste reactie vaker plaatsvinden dan de
niet-juiste reactie. Hoe vaker een reactie wordt gemaakt, hoe groter de kans dat
diezelfde reactie weer wordt gemaakt.
Law of recency: de laatste reactie (vaak de juiste reactie) die plaatsvindt in een
leersituatie, zal ook de reactie zijn die plaatsvindt de volgende keer in die situatie.
Law of contiguity: bij klassiek conditioneren raken de geconditioneerde stimulus en
de ongeconditioneerde stimulus geassocieerd, omdat ze simpelweg plaatsvinden
rond hetzelfde tijdsmoment (contiguity = nabijheid).
Watson was een epifenomenalist in het mind-body probleem. Zo stelde hij dat mentale
events bijproducten zijn van lichamelijke events, maar geen gedrag veroorzaken. Later
veranderde hij zijn perspectief naar het materialisme.
De ideeën van Watson hadden twee grote effecten:
1. Het belangrijkste doel van psychologie veranderde hij van het beschrijven en
verklaren van bewustzijn naar het voorspellen en controleren van gedrag.
2. Hij maakte zichtbaar gedrag het bijna exclusieve onderwerp van psychologie.
Er bestaan verschillende typen behavioristen:
Radical behaviorism (Watson, Skinner): geloven dat gedrag niet kan worden
verklaard in termen van niet-observeerbare interne events. Ze ontkennen het belang
van mentale events en geloven dat gedrag direct moet worden geobserveerd.
Methodological behaviorism (McDougall, Tolman): het grootste deel van de
behavioristen stelt dat het belangrijkste onderwerp zichtbaar gedrag is, maar geven
toe dat cognitieve events van belang kunnen zijn bij deze analyses.
Neobehaviorisme
Het neobehaviorisme resulteerde uit een combinatie van het behaviorisme met logisch
positivisme. Volgens logisch positivisme kan alleen worden aanvaard wat zintuigelijk
waargenomen en vastgesteld kan worden. Zo legden zij de nadruk op empirische observatie,
maar stelden dat theorieën als nuttig kunnen worden beschouwd als ze kunnen helpen
verklaren wat wordt geobserveerd. Het logisch positivisme verdeelde wetenschap in:
1. Observational terms: verwijzen naar empirische events. Het gaat hierbij om het
beschrijven van observeerbaar gedrag.
2. Theoretical terms: proberen te verklaren wat er wordt geobserveerd.