Literatuur: Bem & Looren (h1) + PDFs (Hughes & Turner)
Wetenschappelijke kennis en alledaagse kennis
Kennis wordt door de meesten gedefinieerd als gerechtvaardigd waar geloof. Manieren van
rechtvaardigen:
1. Realism: kennis komt overeen met de realiteit, oftewel de fysieke wereld om ons
heen. Dit beeld wordt door de meeste wetenschappers gehouden over wat empirisch
onderzoek werkelijk is object
Truth: theorieën zijn waar als ze corresponderen met de natuur.
2. Idealism (relativism): de fysieke wereld die we ervaren is simpelweg een creatie van
de geest. Onze kennis is een subjectief product en correspondeert niet per se met de
wereld om ons heen subject
Truth: theorieën zijn waar als ze samenhangen met de rest van onze kennis. Een
voorbeeld hiervan is wiskunde, wat niet empirisch kan worden gecontroleerd.
3. Pragmatism (functional view): kennis is interactief en is het product van het actief
ontdekken van de wereld. Door hier naar te handelen, wordt de realiteit bekend.
Kennis wordt methodologisch gereguleerd en de betekenis van theoretische termen
kan worden afgeleid van hun praktisch gebruik interactie subject-object
Truth: theorieën zijn waar als ze succesvol zijn in de praktijk.
Sellars maakte onderscheid tussen twee soorten images. Het manifest image is de wereld
van objecten en personen, zoals we deze ervaren. Dit zijn de reflecties van ons primitief
zelfbewustzijn (vb. water is water). Het scientific image is de wereld van deeltjes en
krachten, zoals aangenomen door gevorderde wetenschap (vb. water is H2O). Sellars
geloofde dat het wetenschappelijke beeld in principe adequaat en waar zou zijn.
Wetenschappelijke kennis heeft de volgende eigenschappen:
Systematicity: theorieën moeten overal op kunnen worden toegepast, en de
theoretische structuur moet samenhangend zijn en zo mogelijk hiërarchisch. Het
domein van toepassing moet vooraf worden gespecifieerd. Geïsoleerde fenomenen
moeten worden geïntegreerd in een groter systeem van feiten.
Well-defined methods: methoden moeten specificeren wat kan worden beschouwd
als legitieme onderwerpen, feiten en datgene wat moet worden verklaard.
Reduction: op descriptief niveau moeten bepaalde aspecten van realiteit worden
genegeerd. Op verklarend niveau moeten fenomenen worden gereduceerd tot
onderliggende principes.
Objectivity: wetenschappelijke concepten moeten controleerbaar, betrouwbaar en
intersubjectief observeerbaar zijn.
Clarity: wetenschappelijke statements worden duidelijk geformuleerd.
Revisable: wetenschappelijke kennis is open, altijd herzienbaar, en nooit definitief.
Volgens wetenschap is explanation het beschrijven van niet-observeerbare, onderliggende
mechanismen die de observeerbare fenomenen kunnen verklaren.
, Een ander verschil tussen wetenschap en alledaagse kennis is testability. Alledaagse kennis
kijkt naar brede en onduidelijke concepten, terwijl wetenschap deze concepten verfijnd naar
preciezere noties. De inconsistenties die plaatsvinden in alledaagse kennis worden
vermeden met wetenschap, door een homogeen netwerk aan concepten te bouwen.
Argumenten
Wetenschappers willen begrijpen waarom dingen gebeuren en wat de processen zijn achter
bepaalde fenomenen. Ze gebruiken verschillende methodes om hun standpunt te maken.
Induction: van individuele observaties naar algemene statements.
Geen logical certainty, maar er is sprake van nieuwe kennis.
Voorbeeld: zwanen werden geobserveerd, ze waren allemaal wit. Misschien zijn
alle zwanen wit.
Deze manier van redeneren zou niet gerechtvaardigd zijn.
Deduction: van algemene statements naar individuele observaties.
Wel logical certainty, want de voorafgaande stelling bevat de conclusie. Er is zo
geen sprake van nieuwe kennis.
Voorbeeld: alle mensen zijn sterfelijk. Socrates is mens, dus hij is sterfelijk.
Abduction (inference to the best explanation): redenering waarbij een verklarende
hypothese wordt afgeleid uit een set feiten.
Geen logical certainty, maar nieuwe hypothetische kennis over oorzaken.
Voorbeeld: alle CJD patiënten eten biefstuk, biefstuk kan de oorzaak zijn van CJD.
Er werd onderscheid gemaakt tussen twee contexten:
1. Context of discovery: hierbij ligt de focus op de historische, sociale en psychologische
omstandigheden en invloeden die relevant waren voor het ontdekken van
wetenschappelijke theorieën. Wetenschapshistorici en -sociologen proberen te
ontdekken onder wat voor condities wetenschap werkt.
2. Context of justification: hierbij ligt de focus op normatieve criteria voor een theorie
om waar te blijven, of geaccepteerd, of gerechtvaardigd. Wetenschapsfilosofen
proberen algemene methodologische vereisten te ontwikkelen voor een
wetenschappelijke theorie. Vb. in hoeverre conclusies empirisch ondersteund.
Volgens het traditionele perspectief zou wetenschapsfilosofie alleen om
rechtvaardiging gaan, en niet de sociale of psychologische omstandigheden.
Laws, theories, models and causes
Volgens de empiricist Francis Bacon komt het doen van onderzoek overeen met het
systematisch verzamelen van observaties en het samenstellen van data. Echter, wetenschap
zou niet zo’n automatisch proces zijn met enkel objectieve feiten. Om onderliggende
structuren te begrijpen, zouden we ook niet-observeerbare verschijnselen moeten
onderzoeken.
Theory-ladenness: observaties worden altijd deels bepaald door iemands theoretische
aannames. Observaties zijn niet neutraal, omdat feiten eigenlijk geloven of overtuigingen
zijn dat iets waar is. Deze zijn bijna altijd afhankelijk van andere geloven, waardoor vaak