Kennis van het functioneren van gezonde weefsels en hun samenhang in het lichaam
Tegenhanger = pathofysiologie
● Wetenschap die zich bezighoud met abnormale levensprocessen
● Dus kennis van het functioneren van zieke weefsels en hun samenhang in het
lichaam
10 orgaanstelsels
● Circulatiestelsel
● Spijsverteringstelsel
● Ademhalingsstelsel
● Huid
● Hormonale stelsel
● Zenuwstelsel
● Sensorisch stelsel
● Motorisch stelsel
Maag
● Breekt voedingsstoffen af door middel van enzymen
● Voedingsmiddelen verteren
● Kneden
● Bacteriën onwerkzaam maken → maagzuur
● Plooien/ribbels en structuur voor oppervlaktevergroting
Digestie kanaal/maagdarmkanaal/spijsverteringskanaal
Kanaal = buis van mond/bek tot anus waar het voedsel doorheen passeert
Latijn: tractus digestivus
Engels: gastro intestinal tract
Maagdarmstelsel
Digestie kanaal + hulporganen
Eten + drinken → vertering → absorptie → ontlasting
→ Voedingsmiddelen bevatten de voedingsstoffen om in leven te blijven
Manieren om voeding op te nemen
● Filter voeding (baleen)
● Bulk voeding (slang) → de mens (maar minder extreem)
● Substraat voeding (worm)
● Vloeibare voeding (mug)
, (Spijs) Vertering
Het verteren van voedsel (spijs) tot nutriënten
Nutriënt
Opneembre voedingsstof = stof die door de darmwandcellen kan worden opgenomen
darmwandcellen → bloedbaan → weefsels → verbranding/gebruik
Mechanische vertering
● Klein maken van grove voedsel delen to fijnere delen
● Bijten en scheuren
● Kneden in de slokdarm en in de darmen
Chemische vertering (enzymen)
● Mond (amylase)
● Maag
● Darmen
Enzymen zijn eiwitten die inwerken op een substraat met de actieve kant, ze worden niet
verbruikt en zijn reactie specifiek, het zijn biologische katalysatoren en werken met het
sleutel-slot principe (ruimtelijke structuur). Hun achtervoegsel is -ase.
Lever doet aan assimilatie met behulp van enzymen, bijvoorbeeld vitamine B
Door bewegen en botsen komen enzym en substraat bij elkaar, de frequentie van de
botsingen kan worden verhoogd door bijvoorbeeld de temperatuur of de zuurtegraad.
Snelheid proces
● Zuurgraad specifiek
● Temperatuur specifiek
● Optimumtemperatuur specifiek
Denaturatie enzymen → te hoge temperatuur (de ruimtelijke structuur veranderd)
● lipase lipide vet
● amylase amylum zetmeel
● proteinase eiwit prot
● trypsine en pepsine
Plant → cellulose (microbiële fermentatie)
Dieren kunnen het niet verteren met hun eigen enzymen
Carnivoor: Vleeseter, goed verteerbaar dierlijk materiaal
Herbivoor: Alleen planten, moeilijk verteerbaar, langer MDK
Omnivoor: Eet zowel plantaardig als dierlijk materiaal
Bij een paard vindt de meeste vertering achter in de dikke darm plaats, daarom is deze heel
lang, dit komt doordat het een vluchtdier is.