Staats en bestuursrecht
Week 1: 1.1, 2.1, 3.1 en 3.2
Week 2: 1.2 en 5.1
Week 3: 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4
Week 4: 2.1 en 5.1
Week 5: 4.1, 5.5, 5.6 en 6.4
Week 6: 7.1 en 7.2
Week 7: 5.7, 5.8, 5.9, 5.10 en 5.11
Week 11: 5.12 en 6.1
Week 12: 6.2 en 6.3
Hoofdstuk 1
1.1 - beschrijft op centraal en decentraal niveau welke organen belast zijn met de drie
onderdelen van de trias politica (wetgeving, uitvoering (bestuur) en rechtspraak).
Trias politica = scheiding der machten.
- Wetgevende macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het maken van wetten voor heel
Nederland. Parlement
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het maken van wetten en
regels voor het speciale gebied. Provinciale staten en
gemeenteraden.
- Uitvoerende macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitvoeren en handhaven van
de wetten op landelijk niveau. Regering.
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitvoeren en handhaven
van wetten en regels op lokaal niveau, zoals in gemeenten.
Burgemeesters en college van b&w.
- Rechterlijke macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitleggen en toepassen van
de wetten op nationaal niveau. Rechters
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitleggen en toepassen
van de wetten op lokaal niveau. Lokale rechtbanken en
kantongerechten.
, 2.1 - De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie vast op grond van welke wet een
overheidsorgaan mag optreden (legaliteitsbeginsel).
Legaliteitsbeginsel Al het handelen van de overheid, moet staan in de wet.
3.1 - De kandidaat motiveert in een eenvoudige situatie of iets in het bestuursrecht
geregeld is.
Het is geregeld in het bestuursrecht als er een specifieke wet of regelgeving is die
het gedrag van overheidsinstanties in die situatie bepaalt.
Awb Aanbouwwet en kent een gelaagde structuur.
Algemeen bestuursrecht de algemene regels die gelden voor alle verschillende
bestuurstaken van de overheid.
Bijzonder bestuursrecht Richt zich op een bepaald onderdeel in het bestuursrecht.
3.2 - De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie op basis van een algemeen
principe vast welke regelgeving van toepassing is (hogere regelgeving gaat voor
lagere regelgeving, bijzonder gaat voor algemeen, nieuw gaat voor oud).
Hoog laag:
Internationaal verdrag/ Europees verdrag grondwet wet in formele zin AMvB
Ministeriële regeling provinciale verordening gemeentelijke verordening
Hoog gaat voor laag,
Bijzonder gaat voor algemeen,
Nieuw gaat voor oud.
Hoofdstuk 2
1.2- De kandidaat bepaalt voor een orgaan onder welke bestuurslaag (Rijk,
provincie, gemeente) dit valt.
Rijksoverheid regering, ministerraad, ministers en staatssecretarissen.
Provincie provinciale staten, gedeputeerde staten en commissaris van de koning.
Gemeente gemeenteraad, college van b&w, burgemeester.
Waterschap algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter.
Week 1: 1.1, 2.1, 3.1 en 3.2
Week 2: 1.2 en 5.1
Week 3: 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4
Week 4: 2.1 en 5.1
Week 5: 4.1, 5.5, 5.6 en 6.4
Week 6: 7.1 en 7.2
Week 7: 5.7, 5.8, 5.9, 5.10 en 5.11
Week 11: 5.12 en 6.1
Week 12: 6.2 en 6.3
Hoofdstuk 1
1.1 - beschrijft op centraal en decentraal niveau welke organen belast zijn met de drie
onderdelen van de trias politica (wetgeving, uitvoering (bestuur) en rechtspraak).
Trias politica = scheiding der machten.
- Wetgevende macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het maken van wetten voor heel
Nederland. Parlement
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het maken van wetten en
regels voor het speciale gebied. Provinciale staten en
gemeenteraden.
- Uitvoerende macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitvoeren en handhaven van
de wetten op landelijk niveau. Regering.
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitvoeren en handhaven
van wetten en regels op lokaal niveau, zoals in gemeenten.
Burgemeesters en college van b&w.
- Rechterlijke macht:
o Centraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitleggen en toepassen van
de wetten op nationaal niveau. Rechters
o Decentraal niveau: Verantwoordelijk voor het uitleggen en toepassen
van de wetten op lokaal niveau. Lokale rechtbanken en
kantongerechten.
, 2.1 - De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie vast op grond van welke wet een
overheidsorgaan mag optreden (legaliteitsbeginsel).
Legaliteitsbeginsel Al het handelen van de overheid, moet staan in de wet.
3.1 - De kandidaat motiveert in een eenvoudige situatie of iets in het bestuursrecht
geregeld is.
Het is geregeld in het bestuursrecht als er een specifieke wet of regelgeving is die
het gedrag van overheidsinstanties in die situatie bepaalt.
Awb Aanbouwwet en kent een gelaagde structuur.
Algemeen bestuursrecht de algemene regels die gelden voor alle verschillende
bestuurstaken van de overheid.
Bijzonder bestuursrecht Richt zich op een bepaald onderdeel in het bestuursrecht.
3.2 - De kandidaat stelt in een eenvoudige situatie op basis van een algemeen
principe vast welke regelgeving van toepassing is (hogere regelgeving gaat voor
lagere regelgeving, bijzonder gaat voor algemeen, nieuw gaat voor oud).
Hoog laag:
Internationaal verdrag/ Europees verdrag grondwet wet in formele zin AMvB
Ministeriële regeling provinciale verordening gemeentelijke verordening
Hoog gaat voor laag,
Bijzonder gaat voor algemeen,
Nieuw gaat voor oud.
Hoofdstuk 2
1.2- De kandidaat bepaalt voor een orgaan onder welke bestuurslaag (Rijk,
provincie, gemeente) dit valt.
Rijksoverheid regering, ministerraad, ministers en staatssecretarissen.
Provincie provinciale staten, gedeputeerde staten en commissaris van de koning.
Gemeente gemeenteraad, college van b&w, burgemeester.
Waterschap algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter.