DIFY – aantekeningen HC’s
Hoorcollege 1: Excretie H19
In vertebrate en andere zoogdieren is de anatomie van de nieren erg verschillend. Vissen
hebben nieren over de hele lengte verspreid.
Functies van de nieren:
1. Homeostatische regulation:
a. Regulatie van extracellulaire vloeistof volume en bloeddruk
b. Osmolariteit
c. Ionenbalans (Na+, K+, Ca+)
d. pH
2. Excretie van afval:
a. Metbaolisch afval
b. Xenobiotics
3. Productie van hormonen:
a. Erythropoietin
(EPO)
b. Renin (RAAS)
c. Prostaglandin
d. Calcitriol (vitamine
D)
Relatieve dikkere medullas
correleren met urine concentratie.
Juxtamedullaire nefronen zijn belangrijk bij de waterterugwinning en de cortical nefronen
kunnen dit niet.
Een nerfon heeft twee arteriolen en twee sets van
capillairen, die een portal system vormen:
Alle vertebraten (behalve zoogdieren) hebben venous bloed van de caudale delen van het
lichaam naar de nieren.
In vogels worden de nier portal systemen gecontroleerd
met shunts.
Excretie door de nefronen gebeurd door beweging van
opgeloste stoffen.
Alleen 20% van het plasma wordt door de glomerulus
gefilterd.
, DIFY – aantekeningen HC’s
Het glomerulus filter is een lading en grootte
barrière:
1. Gefenestreerd endotheel
2. Basement membraan
3. Podocyten
Een nefron beïnvloedt het vloeistofvolume en de osmolariteit:
- Filtraat is bijna identiek aan het plasma in de niercorpuscle.
- Ongever 70% van het filtraat wordt geabsorbeerd door de proximale tubules.
- Filtraat in de lus van Henle cencentreert en wordt dan verdund.
- Distale tubule en verzamelbuis voor de reabsorptie en secretie.
Hoorcollege 2:
Osmolariteit:
- Het aantal osmotisch actieve deeltjes per liter oplossing: (m)osmol/L
- Osmolariteit in zoogdieren is ongeveer 300 mosmol/L
- mEq (milliequivalent) = mmol/L x charge of the electrolyte
- Maximale urine concentratie is 1430 mosmol/L
Adaptatie zoutklieren: klieren in de kop waarbij kleine kanaaltjes waar druppels uitlopen
met extreem hoge zoutconcentraties. Dit kan door het tegenstroomprincipe waarbij
zouten naar de venen worden verplaatst en onderweg komt in de nasale klieren.
Osmoregulatie van mariene zoogdieren:
- Concentratiemogelijkheden zijn niet heel hoog waardoor ze het meeste water
winnen door het dieet (carnivoor) dus wat andere dieren drinken.
- Ze drinken dus geen zeewater.
Vloeistofdistributie:
- 60% van het lichaamsgewicht is het totale lichaamswater.
- 2/3e van het totale lichaamswater is het intracellular fluid (ICF).
- 1/3e van het totale lichaamswater is het extracellulair fluid (ECF).
Nieren kunnen bij overtollig water het water uitscheiden maar bij een tekort het niet
aanmaken.
Responses voor verandering in bloed volume en druk:
- Excretie van ionen en water
- Gedrag: dorst en craving
- ECF osmolariteit beïnvloedt cel volume
- Verschillende systemen integreren vloeistof en electrolyte balans:
o Ademhalings en cardiovasculair system (snellere respons): neurale controle
o Nieren (langzame respons): endocriene controle
Hoorcollege 1: Excretie H19
In vertebrate en andere zoogdieren is de anatomie van de nieren erg verschillend. Vissen
hebben nieren over de hele lengte verspreid.
Functies van de nieren:
1. Homeostatische regulation:
a. Regulatie van extracellulaire vloeistof volume en bloeddruk
b. Osmolariteit
c. Ionenbalans (Na+, K+, Ca+)
d. pH
2. Excretie van afval:
a. Metbaolisch afval
b. Xenobiotics
3. Productie van hormonen:
a. Erythropoietin
(EPO)
b. Renin (RAAS)
c. Prostaglandin
d. Calcitriol (vitamine
D)
Relatieve dikkere medullas
correleren met urine concentratie.
Juxtamedullaire nefronen zijn belangrijk bij de waterterugwinning en de cortical nefronen
kunnen dit niet.
Een nerfon heeft twee arteriolen en twee sets van
capillairen, die een portal system vormen:
Alle vertebraten (behalve zoogdieren) hebben venous bloed van de caudale delen van het
lichaam naar de nieren.
In vogels worden de nier portal systemen gecontroleerd
met shunts.
Excretie door de nefronen gebeurd door beweging van
opgeloste stoffen.
Alleen 20% van het plasma wordt door de glomerulus
gefilterd.
, DIFY – aantekeningen HC’s
Het glomerulus filter is een lading en grootte
barrière:
1. Gefenestreerd endotheel
2. Basement membraan
3. Podocyten
Een nefron beïnvloedt het vloeistofvolume en de osmolariteit:
- Filtraat is bijna identiek aan het plasma in de niercorpuscle.
- Ongever 70% van het filtraat wordt geabsorbeerd door de proximale tubules.
- Filtraat in de lus van Henle cencentreert en wordt dan verdund.
- Distale tubule en verzamelbuis voor de reabsorptie en secretie.
Hoorcollege 2:
Osmolariteit:
- Het aantal osmotisch actieve deeltjes per liter oplossing: (m)osmol/L
- Osmolariteit in zoogdieren is ongeveer 300 mosmol/L
- mEq (milliequivalent) = mmol/L x charge of the electrolyte
- Maximale urine concentratie is 1430 mosmol/L
Adaptatie zoutklieren: klieren in de kop waarbij kleine kanaaltjes waar druppels uitlopen
met extreem hoge zoutconcentraties. Dit kan door het tegenstroomprincipe waarbij
zouten naar de venen worden verplaatst en onderweg komt in de nasale klieren.
Osmoregulatie van mariene zoogdieren:
- Concentratiemogelijkheden zijn niet heel hoog waardoor ze het meeste water
winnen door het dieet (carnivoor) dus wat andere dieren drinken.
- Ze drinken dus geen zeewater.
Vloeistofdistributie:
- 60% van het lichaamsgewicht is het totale lichaamswater.
- 2/3e van het totale lichaamswater is het intracellular fluid (ICF).
- 1/3e van het totale lichaamswater is het extracellulair fluid (ECF).
Nieren kunnen bij overtollig water het water uitscheiden maar bij een tekort het niet
aanmaken.
Responses voor verandering in bloed volume en druk:
- Excretie van ionen en water
- Gedrag: dorst en craving
- ECF osmolariteit beïnvloedt cel volume
- Verschillende systemen integreren vloeistof en electrolyte balans:
o Ademhalings en cardiovasculair system (snellere respons): neurale controle
o Nieren (langzame respons): endocriene controle