Sectie macro economie
Vraag 1
Antwoord B.
Theorie:
Productie tegen marktprijzen en productie tegen factorkosten zijn twee verschillende
manieren om het bruto binnenlands product (BBP) te meten. Het belangrijkste verschil
tussen deze twee methoden ligt in hoe ze omgaan met indirecte belastingen (zoals btw) en
subsidies.
Bij productie tegen marktprijzen worden indirecte belastingen en subsidies meegenomen in
de berekening van het BBP. Dit betekent dat de waarde van goederen en diensten wordt
gemeten inclusief de belastingen die aan de consument worden doorberekend en exclusief
eventuele subsidies die aan producenten worden verstrekt. Hierdoor wordt de totale
marktwaarde van goederen en diensten weergegeven, zoals deze door consumenten wordt
betaald.
,Bij productie tegen factorkosten worden indirecte belastingen uitgesloten van de berekening
en worden subsidies opgenomen. Hierdoor wordt de waarde van goederen en diensten
gemeten zonder de invloed van de belastingen die aan consumenten worden doorberekend,
maar inclusief eventuele subsidies aan producenten.
Waarom is productie tegen marktprijzen doorgaans hoger dan tegen factorkosten?
Dit komt doordat indirecte belastingen doorgaans een aanzienlijk deel van de totale prijs van
goederen en diensten uitmaken. Wanneer je indirecte belastingen niet meeneemt in de
berekening, lijkt de waarde van goederen en diensten lager te zijn. Als je echter naar de
daadwerkelijke prijs betaald door de consumenten kijkt, is deze hoger vanwege de
belastingen.
Productie tegen marktprijzen is doorgaans hoger dan tegen factorkosten vanwege het effect
van indirecte belastingen.
Vraag 2.
Antwoord 200
Theorie
NNI = C + I
300 = 200 + 100
BBP = inclusief vervangingsinvesteringen, NNI = excl. vervangingsinvesteringen
Vraag 3
antwoord B De koers van de valuta van land x is gedaald
,Theorie
Wisselkoersschommelingen:
Als de valutawaarde van land Y ten opzichte van die van land X daalt, kan dit de prijzen van
geïmporteerde goederen doen stijgen. Een zwakkere valuta van land Y ten opzichte van die
van land X betekent dat land X meer van zijn eigen valuta moet betalen om dezelfde
hoeveelheid goederen uit land Y te kopen. Dit kan leiden tot hogere importkosten en
uiteindelijk tot hogere prijzen voor de consumenten.
Vraag 4.
Antwoord: 5%
Groeivoet = spaarquote / kapitaalcoëfficiënt 0,2/4 x100 = 5
Spaarquote is het gedeelte van Y dat wordt gespaard (dat niet wordt geconsumeerd).
spaarquote = (Y - C) / Y is 200/1000 = 0,2
Kapitaalcoëfficiënt is K/Y = 4000/1000 = 4
Deze formule Spaarquote = 1- c gaat hier niet op.
Hieronder voorbeelden van berekeningen op een andere manier.
, Vraag 5.