Samenvatting levensbeschouwing
Hoofdstuk 3: humanisme
Paragraaf 1 Het paspoort van Wijnand
Humanisme: levensbeschouwing waarbij veel waarde wordt gehecht aan de mens.
1.1
Veel humanisten zijn atheïst.
Paragraaf 2 Inleiding op het humanisme
2.1
Humanisme van het Latijnse ‘humanus’: de mens betreffende.
Kenmerken:
a. De mens moet zelf zin geven aan zijn leven ( dit is het leven en er is geen leven in een
hiernamaals met God)
b. De mens heeft het recht om over zijn eigen leven te beschikken zelfbeschikkingsrecht
(de mens beslist over zijn eigen leven (en dood))
c. Vertrouwen in de menselijke wil en het verstand (met zijn wil en verstand beschikt de
mens over vermogens om de wereld beter te maken problemen kunnen met
wetenschap en techniek worden opgelost)
2.2
Klassieke oudheid: Socrates (469-399 v.C.) en Cicero (106-43 v.C.)
u De mens moet in zijn zoeken naar zin ook gebruik maken van zijn verstand (de rede),
naast het geloof in god(en)
Renaissance: Petrarca (1304-1374) en later Erasmus (1466-1536)
Vanaf de Verlichting (17e-18e eeuw) krijgt het humanisme steeds meer invloed.
u Verstand en zelf nadenken wordt steeds belangrijker
u Steeds meer wetenschap en techniek
u Geloof in God gaat volgens humanisten ten koste van de vrijheid van de mens
In 20e eeuw organiseren humanisten zich ook áls humanisten. Veel humanisten zijn atheïst
of agnost. Maar er zijn ook religieus humanisten: humanisten die tevens godsdienstig zijn.
Paragraaf 3 Verdiepingsstof: geschiedenis van het humanisme
Klassieke oudheid: Griekse en Romeinse cultuur (800 v.C. tot 500 n.C.)
Socrates vond het belangrijk dat mensen écht nadenken over het leven, kritische vragen
stellen en vertrouwen op hun eigen verstand.
Socrates werd wegens zijn denkbeelden ter dood veroordeeld.
Cicero:
- belangrijk geschrift: Oratore; over redeneren
- openstaan voor de ander: humanitas
Ook Protagoras en Seneca waren denkers.
Kern van humanistische gedachtegoed in oudheid: vertrouwen op menselijke verstand en
niet op een geloof.
Ontwikkelingen aan het einde van de middeleeuwen:
- ontdekking van nieuwe werelddelen
- ontwikkeling van wetenschap en kunst
- uitvinding van boekdrukkunst
De mens kreeg grotere plaats t.o.v. God. Ook werden ze bewuster een individu te zijn.
1
Hoofdstuk 3: humanisme
Paragraaf 1 Het paspoort van Wijnand
Humanisme: levensbeschouwing waarbij veel waarde wordt gehecht aan de mens.
1.1
Veel humanisten zijn atheïst.
Paragraaf 2 Inleiding op het humanisme
2.1
Humanisme van het Latijnse ‘humanus’: de mens betreffende.
Kenmerken:
a. De mens moet zelf zin geven aan zijn leven ( dit is het leven en er is geen leven in een
hiernamaals met God)
b. De mens heeft het recht om over zijn eigen leven te beschikken zelfbeschikkingsrecht
(de mens beslist over zijn eigen leven (en dood))
c. Vertrouwen in de menselijke wil en het verstand (met zijn wil en verstand beschikt de
mens over vermogens om de wereld beter te maken problemen kunnen met
wetenschap en techniek worden opgelost)
2.2
Klassieke oudheid: Socrates (469-399 v.C.) en Cicero (106-43 v.C.)
u De mens moet in zijn zoeken naar zin ook gebruik maken van zijn verstand (de rede),
naast het geloof in god(en)
Renaissance: Petrarca (1304-1374) en later Erasmus (1466-1536)
Vanaf de Verlichting (17e-18e eeuw) krijgt het humanisme steeds meer invloed.
u Verstand en zelf nadenken wordt steeds belangrijker
u Steeds meer wetenschap en techniek
u Geloof in God gaat volgens humanisten ten koste van de vrijheid van de mens
In 20e eeuw organiseren humanisten zich ook áls humanisten. Veel humanisten zijn atheïst
of agnost. Maar er zijn ook religieus humanisten: humanisten die tevens godsdienstig zijn.
Paragraaf 3 Verdiepingsstof: geschiedenis van het humanisme
Klassieke oudheid: Griekse en Romeinse cultuur (800 v.C. tot 500 n.C.)
Socrates vond het belangrijk dat mensen écht nadenken over het leven, kritische vragen
stellen en vertrouwen op hun eigen verstand.
Socrates werd wegens zijn denkbeelden ter dood veroordeeld.
Cicero:
- belangrijk geschrift: Oratore; over redeneren
- openstaan voor de ander: humanitas
Ook Protagoras en Seneca waren denkers.
Kern van humanistische gedachtegoed in oudheid: vertrouwen op menselijke verstand en
niet op een geloof.
Ontwikkelingen aan het einde van de middeleeuwen:
- ontdekking van nieuwe werelddelen
- ontwikkeling van wetenschap en kunst
- uitvinding van boekdrukkunst
De mens kreeg grotere plaats t.o.v. God. Ook werden ze bewuster een individu te zijn.
1