Hoofdstuk 4
__________________________________________________
1 | De bouw en functie van DNA
Genoom: Het geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme.
Alle cellen hebben hetzelfde Genoom.
De bouw van DNA
DNA bestaat uit 2 aan elkaar gekoppelde nucleotiden
Nucleotide is opgebouwd uit 3 elementen;
desoxyribose (suiker) :
fosfaatgroep:
Stikstofbase
4 Base komen in DNA-moleculen voor: adenine (A), thymine (T), cytosine (C) en
guanine (G)
rood geeft de nieuwe binding aan
Samen vormen de 3 elementen:
1
,Door middel van een condensatiereactie koppelt de desoxyribose van een
nucleotide aan de fosfaatgroep van een andere nucleotide. Zo ontstaat
enkelstrengs DNA:
3’ 5’
Aan 3’ uiteinde bevindt zich een suikergroep en aan 5’ uiteinde een fosfaatgroep.
Dubbelstrengs DNA ontstaat door de basenparing van twee DNA-nucleotideketens.
Altijd zelfde basenparing;
Guanine (G)-Cytosine (C)
Adenine (A)-Thymine (T)
3’ 5’
5’ 3’
2
, Een dubbelstrengs DNA-molecuul heeft altijd
een helixstructuur.
Hierbij lopen de ketens in tegengestelde richting
DNA is in de celkern verdeeld over chromosomen.
Chromosomen bestaan uit een enkel, zeer lang
dubbelstrengs DNA-molecuul.
Afhankelijk van de fase is een DNA-molecuul strak
of los opgerold. Eerst wikkelt het zich om eiwitten heen:
Deze heten Histonen.
Meerdere histonen samen met eromheen gewikkeld DNA
heet een Nucleosoom
DNA-Sequentie
Sequentie: De volgorde waarin nucleotiden in een DNA-molecuul zijn gerangschikt.
Gen: Deel van DNA-molecuul dat code bevat voor de synthese van eiwitten.
Niet-coderend DNA: DNA dat niet voor eiwitten codeert. 98,5% van het menselijke
genoom bestaat hieruit.
repetitief DNA: herhalingen van korte nucleotide sequenties
3