Democratisering: proces van verandering van machts- en gezagsverhouding door grotere
inspraak en medezeggenschap van degene met minder macht.
Individualisering: proces waarbij individuen in toenemende mate, hun zelfstandigheid op
verschillende gebieden kunnen vergroten.
Sociale ongelijkheid: situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet geboren
kenmerken, consequenties hebben voor positie op maatschappelijke ladder en leiden tot
ongelijke verdeling van schaarste en hooggewaardeerde zaken.
Bevelshuishouden: een gezin voor de jaren zestig waar er sprake was van een grote
machtsafstand tussen ouders en kinderen.
Onderhandelingshuishouding: min of meer geformaliseerde regels veranderden en zo werd
het gedrag van kinderen op een nadere manier dan voorheen gereguleerd.
• Verworven relaties: in de relaties die je nu hebt ligt de nadruk waarschijnlijk meer op
bindingen die je zelf bewust opgezocht hebt door interesses / overtuigingen die je
deelt.
• Toebedeelde relaties: de meest relaties die je had zijn waarschijnlijk voor de hand
liggend: je familie, je geloofsgenoten etc. —> je bent er niet opzoek naar gegaan.
Lagen in de samenleving:
Laag 1: kapitaalbezitters en topbestuurders (rijken en machtigen)
Laag 2: ondernemersklasse (van bezitters van kleine en middelgrote bedrijven.)
Laag 3: professionele middenklasse (van mensen met relatief hoge opleidingen.)
Laag 4: werknemers- of arbeidersklasse (van mensen met relatief lage opleidingen.) —>
boeren, slagers.
Laag 5: (onderklasse van mensen met weinig geld, status en macht.)
, Sociale ongelijkheid: situatie waarin verschillen tussen mensen, in al dan niet aangeboren
kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een
ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en
behandeling.
Ongelijke verdeling van:
• Economische hulpbronnen: geld en bezit.
• Sociale hulpbronnen: contacten met mensen.
• Symbolische hulpbronnen: status en aanzien.
• Politieke hulpbronnen: macht en gezag.
Sociale mobiliteit: stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder.
Sociale stratificatie: indeling van sociale lagen, waartussen een ongelijke verhouding bestaat.
(Ondernemers staan dus hoger dan onderklassen)
• Open samenleving: samenleving waarin je afkomst niet bepalend zou moeten zijn
voor de plek die je in gaat nemen op de maatschappelijke ladder.
• Gesloten samenleving: je kan niet stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder.
(sociale mobiliteit) *
• Positietoewijzing: Wanneer maatschappelijke oorzaken jou positie maatschappelijke
positie bepalen.
• Positieverwerving: Door eigen inspanning een positie verwerven op de
maatschappelijke ladder.
Groepen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt: specifieken groepen hebben zwakke
positie op arbeidsmarkt:mensen met niet westerse achtergrond, laag-opgeleiden, ouderen,
ongediplomeerde. (Niet letterlijk)
Kapitaal als ingrediënt voor positieverwerving:
• Sociaal kapitaal: connecties, netwerken en de mate van respect.
• Economische kapitaal: financieel bezit of hoog inkomen.
• Cultureel kapitaal: culturele competenties, waaronder kennis, houdingen, opvattingen
en vaardigheden.
Over wenselijkheid politieke participatie en welke middelen daarvoor het meest geschikt
zijn bestaan verschillende mening:
• Instrumentele visie: politieke participatie doel om middel om besluiten te kunnen
nemen.
• Ontwikkelingsvisie: doel, participatie in politiek is goede ontwikkeling van de burger.
Door te participeren leer je.