Subdomein B1, socialisatie:
• socialisatie; het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groepen en
de samenleving waar mensen toe behoren. —> Proces bestaat uit: opvoeding,
opleiding en andere vormen van omgang met anderen.
Socialisatie functies;
1. Continuering van (sub)cultuur.
2. verandering van (sub)cultuur.
3. Identificatie van het individu met anderen met een groep en een subcultuur en het
besef van groepslidmaatschap van het individu.
4. Identiteitsontwikkeling van het individu.
5. Gedragsregulatie van het individu.
Culturele variaties in Nederland worden steeds zichtbaarder en door toenemende
individualisering ook steeds groter.
Het verloop van socialisatieprocessen is sterk milieu afhankelijk, verschillen leiden tot;
• sociale ongelijkheid; een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet
aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en
leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van
waardering en behandeling.
3 soorten ongelijkheden:
• economisch kapitaal; financieel bezit of hoog inkomen.
• Sociaal kapitaal; connecties, netwerken.
• Cultureel kapitaal; kennis, houding, opvattingen.
2 vormen van socialisatie:
• Enculturatie ; het aanleren en verwerven van de subcultuur van de samenleving waarin
men geboren wordt.
• Acculturatie; Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit
dan die waarin iemand is opgegroeid.
Belang van socialisatoren:
Op welke manier media mensen vormen:
• Cultivatiehypothese;
• Opinieleidershypothese;
• Mediaframing hypothese;
• Selectiviteitshypothese;
, • Identiteit; het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen
voorhoudt en dat hij als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en
dat is afgeleid van zin perceptie over de roepen waar hij wel of juist ook niet deel van
uitmaakt.
• Het wordt geroemd tijdens socialisatie en is het resultaat van interactie of met sociale
media.
3 Soorten identiteit;
• persoonlijke identiteit; het beeld dat iemand van zichzelf heeft.
• Sociale identiteit; het beeld dat iemand van zichzelf heeft als lid van een sociale groep
em categorieën waar zij bijhoort.
• Collectieve identiteit; een zij-beeld van een groep dat breed wordt onderschreven door
niet-leden of buitenstaanders.
lidmaatschap van verschillende groepen kan leiden tot —> loyaliteitsconflicten.
• Cultuur; het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden,
normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
2 soorten culturen:
• Dominate cultuur: invloedrijkste politieke / economische positie.
• Subcultuur: levensstijlen die deels afwijken van dominante cultuur maar ook deels
overlappen.
Als bindingen in een samenleving veranderen kan dat effect ebben op de sociale cohesie. De
opkomst van sterke subculturen kan leiden tot een conflict tussen een sterke groepsbinding en
het onderhouden van banden met andere buiten de groep, met in en uitsluiting tot gevolg.
Dimensie van hofstede:
6 dementies waarop je culturen van elkaar kunt onderscheiden.
• Grote machtsafstand vs kleine machtsafstand:
• Individualisering vs collectivistisch:
• Masculien vs feminien:
• Lage onzekerheidsvermijding vs hoge:
• Langetermijngerichtheid vs korte:
• Hedonisme vs soberheid:
, Subdomein B2: politieke socialisatie
Politieke socialisatie: Het proces van overdracht en verwerving van de politieke cultuur van
de groep(en) en samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding,
opleiding en andere vormen van omgang met anderen.
Politieke cultuur is het geheel van politieke relevante tradities, kennis, opvattingen en
oordelen die kenmerkend zijn voor een land, maar ook voor groepen daarbinnen en voor
groepen/organisaties die landgrenzen doorkruisen.
Het politieke systeem zelf is ook een factor die invloed uitoefent inn politieke socialisatie van
burgers. Bijv besluiten, samenwerkingen etc. De opvattingen van mensen leiden tot botsing
van meningen of tot maatschappelijke conflicten.
Subdomein B3: socialisatie binnen een specifieke context.
Jaren 20 tot 60:
Soorten gezinnen:
• Kostwinnersgezin: Een gezin waarbij één persoon de kost verdient, meestal de vader,
terwijl de andere gezinsleden thuis blijven en voor het huishouden zorgen.
• Bevelshuishouding: Een huishouden waarin de besluitvorming en autoriteit
voornamelijk bij één persoon, vaak de vader, liggen en de andere gezinsleden zijn
ondergeschikt.
• Onderhandelingshuishouding: Een gezinsstructuur waarin beslissingen worden
genomen door onderling overleg tussen alle gezinsleden, zonder een duidelijke
dominante autoriteit.
Maatschappelijke ontwikkeling:
Dominante waarden in cultuur veranderden met processen van rationalisering,
democratisering, Individualisering en ontzuilling. Door groeiende welvaart en modernisering:
individualisering en minder stricte zuilen.
Door echtscheidingswet ontstonden deze relaties —>
Soorten relaties:
• Toebedeelde relaties verwijzen naar sociale banden die iemand automatisch krijgt
door bijvoorbeeld familiebanden of sociale status.
• verworven relaties ontstaan uit individuele keuzes en inspanningen, zoals
vriendschappen of professionele netwerken.