1
, Psychologie literatuur
Les 1: erfelijkheid en gedrag
Zimbardo: H2 t/m H2.1.2 (blz. 41-48)
Biopsychologie: specialisme in de psychologie dat de interactie tussen biologie,
gedrag en de omgeving bestudeert.
Elk mens heeft aangeboren capaciteiten. Bij de geboorte zijn de hersenen al
geprogrammeerd voor taal, sociale interacties, zelfbehoud en andere functies.
Evolutie: het proces waarbij soorten organismen
geleidelijk veranderen doordat ze zich aanpassen aan een
veranderde omgeving.
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat
het universum en al het leven op aarde (planten, dieren
en mensen) hun ontstaan te danken hebben aan een
bijzondere (goddelijke) scheppingsdaad.
Natuurlijke selectie: drijvende kracht achter de evolutie, waardoor de
omgeving de best aangepaste organismen selecteert.
Adaptieve kenmerken: kenmerk van een soort dat is ontstaan op aanpassing
aan een specifieke omgeving.
Je lengte, gelaatstrekken en haarkleur zijn allemaal bepaald door de gecodeerde
genetische ‘blauwdruk’ die je van je ouders hebt geërfd en die in elke cel in je
lichaam aanwezig is.
Erfelijkheid is ook van invloed op je psychologische eigenschappen zoals
basistemperament.
Genotype: kenmerken van een organisme zoals die
genetische zijn vastgelegd. Dit het genetische
patroon waarin je van alle mensen op aarde verschilt.
Fenotype: waarneembare kenmerken van een
organisme. Al je lichamelijke kenmerken vormen je
fenotype, zoals, lengte, haarkleur of chemie van je
hersenen. Alle waarneembare kenmeren horen tot
fenotype ook het gedrag.
Elk cel bevat genomen, dit is opgebouwd uit chromosomen, die weer DNA
bevatten. DNA is opgebouwd uit genen. Deze bevatten de bouwinstructie van
een organisme.
2
, Genoom: het genoom van een organisme omvat één complete set van
chromosomen. Dit is een volledige verzameling van biologische instructies voor
het opbouwen van het organisme.
DNA: lang complex molecuul dat informatie bevat over alle genetische
eigenschappen. De volledige naam is desoxyribonucleïnezuur.
Genen zijn. De woorden waaruit de bouwinstructie
voor elk organisme bestaat. Dit is gecodeerd in
korte segmenten van DNA.
Genen: stukjes van een chromosoom waarin de
codes voor de erfelijke lichamelijke en psychische
eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen.
Ze vormen de functionele elementen van een
chromosoom.
Dit draagt bij aan de werking van een organisme door één enkel eiwit te coderen.
Samen dienen de eiwitten als bouwstenen voor de lichamelijke eigenschappen
(fenotype) en de interne werking van het lichaam.
Chromosomen: lange, dunne, spiraalvormige draaf waarlangs de genen zijn
gerangschikt de kralen van een ketting. Dit bestaan voornamelijk uit DNA.
Normaal gesproken bevat iedere lichaamscel 46 chromosomen, verdeeld over
23 paren. Van elk paar chromosomen is 1 chromosoom afkomstig van de vader
en 1 van de moeder.
Geslachtschromosomen: een chromosoom dat onze
lichamelijke geslachtkenmerken bepaald. Vouwen
hebben twee X-chromosomen en mannen een X-
chromosomen en Y-chromosomen
Autosomen: een chromosoom dat geen
geslachtschromosoom is. Dus geen x of y
chromosoom. Maar een chromosoom uit de 22 paar
andere chromosomen.
3
, Psychologie literatuur
Les 1: erfelijkheid en gedrag
Zimbardo: H2 t/m H2.1.2 (blz. 41-48)
Biopsychologie: specialisme in de psychologie dat de interactie tussen biologie,
gedrag en de omgeving bestudeert.
Elk mens heeft aangeboren capaciteiten. Bij de geboorte zijn de hersenen al
geprogrammeerd voor taal, sociale interacties, zelfbehoud en andere functies.
Evolutie: het proces waarbij soorten organismen
geleidelijk veranderen doordat ze zich aanpassen aan een
veranderde omgeving.
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat
het universum en al het leven op aarde (planten, dieren
en mensen) hun ontstaan te danken hebben aan een
bijzondere (goddelijke) scheppingsdaad.
Natuurlijke selectie: drijvende kracht achter de evolutie, waardoor de
omgeving de best aangepaste organismen selecteert.
Adaptieve kenmerken: kenmerk van een soort dat is ontstaan op aanpassing
aan een specifieke omgeving.
Je lengte, gelaatstrekken en haarkleur zijn allemaal bepaald door de gecodeerde
genetische ‘blauwdruk’ die je van je ouders hebt geërfd en die in elke cel in je
lichaam aanwezig is.
Erfelijkheid is ook van invloed op je psychologische eigenschappen zoals
basistemperament.
Genotype: kenmerken van een organisme zoals die
genetische zijn vastgelegd. Dit het genetische
patroon waarin je van alle mensen op aarde verschilt.
Fenotype: waarneembare kenmerken van een
organisme. Al je lichamelijke kenmerken vormen je
fenotype, zoals, lengte, haarkleur of chemie van je
hersenen. Alle waarneembare kenmeren horen tot
fenotype ook het gedrag.
Elk cel bevat genomen, dit is opgebouwd uit chromosomen, die weer DNA
bevatten. DNA is opgebouwd uit genen. Deze bevatten de bouwinstructie van
een organisme.
2
, Genoom: het genoom van een organisme omvat één complete set van
chromosomen. Dit is een volledige verzameling van biologische instructies voor
het opbouwen van het organisme.
DNA: lang complex molecuul dat informatie bevat over alle genetische
eigenschappen. De volledige naam is desoxyribonucleïnezuur.
Genen zijn. De woorden waaruit de bouwinstructie
voor elk organisme bestaat. Dit is gecodeerd in
korte segmenten van DNA.
Genen: stukjes van een chromosoom waarin de
codes voor de erfelijke lichamelijke en psychische
eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen.
Ze vormen de functionele elementen van een
chromosoom.
Dit draagt bij aan de werking van een organisme door één enkel eiwit te coderen.
Samen dienen de eiwitten als bouwstenen voor de lichamelijke eigenschappen
(fenotype) en de interne werking van het lichaam.
Chromosomen: lange, dunne, spiraalvormige draaf waarlangs de genen zijn
gerangschikt de kralen van een ketting. Dit bestaan voornamelijk uit DNA.
Normaal gesproken bevat iedere lichaamscel 46 chromosomen, verdeeld over
23 paren. Van elk paar chromosomen is 1 chromosoom afkomstig van de vader
en 1 van de moeder.
Geslachtschromosomen: een chromosoom dat onze
lichamelijke geslachtkenmerken bepaald. Vouwen
hebben twee X-chromosomen en mannen een X-
chromosomen en Y-chromosomen
Autosomen: een chromosoom dat geen
geslachtschromosoom is. Dus geen x of y
chromosoom. Maar een chromosoom uit de 22 paar
andere chromosomen.
3