contractenrecht voor ondernemingen (2023).
Toelichting: kies vier van de zes vragen. Uw antwoord wordt beoordeeld op de volgende
punten:
- taalgebruik;
- structuur;
- juridische scherpte (zinvolle verwijzingen naar rechtspraak en literatuur komen
vaak de juridische scherpte ten goede)
- originaliteit.
Wat de lengte van het antwoord betreft: maximaal anderhalf A-4tje per vraag (regelafstand
1, lettergrootte 12).
Vraag 1
Schrijf een reactie op J.L. Smeehuijzen, "Aansprakelijkheid van de moeder bij
onrechtmatige daden van de dochter", NJB 05-11-2021 – afl. 38.
Vraag 2
Zoek via internet een leidende uitspraak over uitleg van overeenkomsten uit het Verenigd
Koninkrijk. Beschrijf kort de uitlegvraag die in deze zaak speelde en beoordeel of, en zo ja in
hoeverre, een Nederlandse rechter de uitlegvraag anders zou hebben beoordeeld.
Vraag 3
Bepleit dat een crediteur in zijn keuze tussen ontbinding of een andere remedie niet geheel
vrij is.
Vraag 4
Leg aan de hand van twee voorbeelden uit de feitenrechtspraak – een uit het goederenrecht en
een uit het verbintenissenrecht – uit dat in het verbintenissenrecht normativiteit een grotere rol
speelt dan in het goederenrecht.
Vraag 5
Schrijf een noot bij Milieudefensie/Shell, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337. Normaal gesproken
geeft men in een noot kort de feiten weer. Dat hoeft hier niet. U mag zich in de noot beperken
tot een enkel aspect van de uitspraak, maar mag ook korter meerdere aspecten bespreken.
Vraag 6
Schrijf een noot bij Hoge Raad 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1131. Ga onder andere
in op de mogelijkheid tot en de wenselijkheid van uitsluiting van de Haviltex-maatstaf.