Take-home tentamen goederen- en insolventierecht (2023)
Vraag 1
Een garagebedrijf B B.V. (hierna: B) verkeert in financiële moeilijkheden. Een
herfinanciering van haar vermogenspositie is noodzakelijk. Ter uitvoering daarvan wordt een
driepartijenovereenkomst gesloten tussen B, haar schuldeiser A en een grote bank C (hierna
ook: de eerste driepartijenovereenkomst). Om de herfinanciering mogelijk te maken zal deze
bank een extra krediet van € 1.000.000 ter beschikking stellen aan A, die voor de aflossing
daarvan zekerheid stelt tegenover de bank en die zich tegenover B verplicht dit extra krediet,
met aftrek van kosten, op afroep in 10 tranches aan B door te betalen. Na twee jaar zal B
beginnen met de terugbetaling van de geleende (doorbetaalde) bedragen aan A. Over de
geleende bedragen is een rentevergoeding verschuldigd van 4 % per jaar.
Tot zekerheid van terugbetaling van dit krediet vestigt B ten gunste van A een stil
(‘vuistloos’) pandrecht op alle voorraden en bedrijfsmiddelen die in haar bedrijf aanwezig
zijn en op al haar bestaande en toekomstige handelsvorderingen.
Ook X, directeur/enig aandeelhouder van B, treedt als partij toe tot de overeenkomst. Hij
verplicht zich om in privé hypotheek te verlenen ten behoeve van A tot zekerheid van
terugbetaling door B aan A op het aan hem (X) in privé toebehorende bedrijfspand en
woonhuis. X voldoet aan deze verplichting; de beide hypotheken (beide gemaximeerd op €
1.000.000) worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
Enkele maanden later wordt een tweede driepartijenovereenkomst gesloten tussen A, B en de
moedermaatschappij van B, B Holding B.V. In de overeenkomst staat, kort gezegd, dat alle
activa van B worden overgedragen aan B Holding B.V. in het kader van een doorstart. Tot
deze activa behoort de rechtsverhouding tussen A en B betreffende het
herstructureringskrediet (dus ook de aanspraken tot afroep van de overeengekomen tranches
en daaruit voortvloeiende verplichtingen tot terugbetaling van het door A aan B doorbetaalde
extra krediet). Hieraan wordt uitvoering gegeven, maar de door met derden (zoals
leveranciers en afnemers) gesloten overeenkomsten zullen door B worden nagekomen
(daartoe financieel in staat gesteld door B Holding B.V.) “om geen slapende honden wakker
te maken”.
Twintig maanden na het sluiten van de eerste driepartijenovereenkomst gaat B, ondanks alle
inspanningen, toch failliet. De door de rechtbank benoemde faillissementscurator stuit op de
volgende problemen.
(1) Op de stil verpande vorderingen blijkt al eerder een stil pandrecht te zijn gevestigd
door bank D, die mededeling heeft gedaan van haar stille pandrecht aan de
desbetreffende handelsdebiteuren en de desbetreffende vorderingen voor 80% heeft
geïnd.
(2) Tot de stil verpande voorraden behoort een motorblok dat is inmiddels is ingebouwd
in een vintage car die in het bedrijf van B is geassembleerd in opdracht van klant Y.
Deze klant heeft al de helft van de kosten aanbetaald aan B. De auto is op voorhand
Vraag 1
Een garagebedrijf B B.V. (hierna: B) verkeert in financiële moeilijkheden. Een
herfinanciering van haar vermogenspositie is noodzakelijk. Ter uitvoering daarvan wordt een
driepartijenovereenkomst gesloten tussen B, haar schuldeiser A en een grote bank C (hierna
ook: de eerste driepartijenovereenkomst). Om de herfinanciering mogelijk te maken zal deze
bank een extra krediet van € 1.000.000 ter beschikking stellen aan A, die voor de aflossing
daarvan zekerheid stelt tegenover de bank en die zich tegenover B verplicht dit extra krediet,
met aftrek van kosten, op afroep in 10 tranches aan B door te betalen. Na twee jaar zal B
beginnen met de terugbetaling van de geleende (doorbetaalde) bedragen aan A. Over de
geleende bedragen is een rentevergoeding verschuldigd van 4 % per jaar.
Tot zekerheid van terugbetaling van dit krediet vestigt B ten gunste van A een stil
(‘vuistloos’) pandrecht op alle voorraden en bedrijfsmiddelen die in haar bedrijf aanwezig
zijn en op al haar bestaande en toekomstige handelsvorderingen.
Ook X, directeur/enig aandeelhouder van B, treedt als partij toe tot de overeenkomst. Hij
verplicht zich om in privé hypotheek te verlenen ten behoeve van A tot zekerheid van
terugbetaling door B aan A op het aan hem (X) in privé toebehorende bedrijfspand en
woonhuis. X voldoet aan deze verplichting; de beide hypotheken (beide gemaximeerd op €
1.000.000) worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
Enkele maanden later wordt een tweede driepartijenovereenkomst gesloten tussen A, B en de
moedermaatschappij van B, B Holding B.V. In de overeenkomst staat, kort gezegd, dat alle
activa van B worden overgedragen aan B Holding B.V. in het kader van een doorstart. Tot
deze activa behoort de rechtsverhouding tussen A en B betreffende het
herstructureringskrediet (dus ook de aanspraken tot afroep van de overeengekomen tranches
en daaruit voortvloeiende verplichtingen tot terugbetaling van het door A aan B doorbetaalde
extra krediet). Hieraan wordt uitvoering gegeven, maar de door met derden (zoals
leveranciers en afnemers) gesloten overeenkomsten zullen door B worden nagekomen
(daartoe financieel in staat gesteld door B Holding B.V.) “om geen slapende honden wakker
te maken”.
Twintig maanden na het sluiten van de eerste driepartijenovereenkomst gaat B, ondanks alle
inspanningen, toch failliet. De door de rechtbank benoemde faillissementscurator stuit op de
volgende problemen.
(1) Op de stil verpande vorderingen blijkt al eerder een stil pandrecht te zijn gevestigd
door bank D, die mededeling heeft gedaan van haar stille pandrecht aan de
desbetreffende handelsdebiteuren en de desbetreffende vorderingen voor 80% heeft
geïnd.
(2) Tot de stil verpande voorraden behoort een motorblok dat is inmiddels is ingebouwd
in een vintage car die in het bedrijf van B is geassembleerd in opdracht van klant Y.
Deze klant heeft al de helft van de kosten aanbetaald aan B. De auto is op voorhand