Les 1 – Gebarentaal als natuurlijke taal / Fonologie (16-05)
kent de definitie voor ‘taal’ en kan beargumenteren waarom gebarentalen
echte talen zijn;
– Taal = Communicatiemiddel, dat samen is gevormd en continu veranderd.
➔ Hoewel gebarentalen niet altijd even arbitrair zijn als dat van gesprokentalen,
is dit geen afbreuk aan hun status als volwaardige talen;
➔ Gebarentalen voldoen nog steeds aan vele andere criteria die een systeem tot
een echte taal maken (eigen grammatica, lexicon etc.).
kent het begrip ‘modaliteit’, en begrijpt de taalkundige vraagstelling naar
de mogelijke invloed van modaliteit op taalstructuur;
– Modaliteit = Het kanaal waarin een taal gebruikt wordt.
Productie Perceptie
(wat ik zend): (wat ik waarneem):
Gesproken taal: Oraal Auditief
Gebarentaal: Manueel Visueel
– Mogelijke verschillen als gevolg van modaliteit:
1. Iconiciteit van gebarentaal
➔ Helpen bij het verwerven van taal, zowel als moedertaal als tweede taal
2. Simultaneïteit
➔ In gebarentaal worden vaak dingen gelijktijdig uitgedrukt;
➔ Een gebaar kost gemiddeld meer tijd;
➔ Door simultaneïteit is het tempo van informatieoverdracht toch hetzelfde
als in gesproken talen
Voorbeelden: nee-schudden of ja-knikken tijdens het gebaren, beide handen
voor verschillende gebaren gebruiken
kent de volgende begrippen: fonologie, foneem, allofoon, minimaal paar,
assimilatie;
– Fonologie = Studie van spraakklanken in relatie tot de systematiek van het
taalsysteem.
– Foneem = De kleinste bouwsteen van een taal die zelf betekenisloos is, maar wel
een betekenisonderscheidende functie heeft.
➔ De klanken zijn zelf betekenisloos, maar samengevoegd vormt het een woord
met betekenis
Voorbeeld: Losse letters van p a l of b a l
– Assimilatie = Aanpassing van een spraakklank aan de spraakklank ervoor of erna.
Voorbeelden: platvoeten /v/ → f onbepaald /n/ → m
opdracht /p/ → b
Pagina 1 van 14