NIET 4 (Kielmeyer) en 7 (De Duitse Naturphilosophie)
Linnaeus had als doel het indelen van organismen in soorten en zo orde te scheppen. Echter vonden
veel achttiende -eeuwse wetenschappers dit niet voldoende. Zij wilde ook de basisprincipen en
wetten van het leven ontrafelen. Ook voor de levende natuur moest een stelsel van wetten worden
geformuleerd, zoals eerder door Newton was gedaan voor planeten.
Treviranus en Lamarch introduceren in 1802 de term biologie. Dit moest ook een volwaarde
newtoniaanse wetenschap worden, wat vooral in Frankrijk en Duitsland werd opgepakt.
Treviranus was aanhanger van het teleomachinisme, wat zijn oorsprong vindt in Göttingen. Tegen de
19e eeuw was hier een programma ontwikkeld wat alle hoofdstromen van het denken over de
levende natuur in zich verenigd had.
Kant legde het theoretische fundament voor het teleomachinsime, waar Blumenbach zich vooral
richtte op de biologische invulling hiervan.
De bijdrage van Kant ligt beschreven in zijn Kritik der Urteikskraft (1790). Volgens Kant ligt er een
fundamenteel verschil tussen de organische en de anorganische wereld. Waar de anorganische
wereld mechanisch verklaard kan worden, kan dit voor de organische wereld niet. In de anorganische
wereld is er altijd sprake van een lineaire keten van oorzaak en gevolg. Bij de organische wereld kan
een verschijnsel zowel het gevolg als de oorzaak zijn, dit is dus een circulaire keten van oorzaak en
gevolg. Zo leken levensprocessen gestuurd te worden door een intentie; ze hebben een doel, waar
de levenloze wereld dit niet heeft.
Volgens Kant zorgt dit wel voor problemen; voor de menselijke wetenschap zijn alleen de lineaire
relaties te bevatten. De geest kan wel inzien hoe teleologische processen optreden, maar ze kan niet
begrijpen hoe deze ontstaan. Daarnaast kunnen we niet zeker zeggen dat een organisme doelgericht
is, we kunnen alleen zeggen dat het zich doelgericht voordoet.
Teleomechanisme: de levende natuur berust op mechanistische verklaringsmodellen, maar het
doelgerichte karakter van de natuur moet als axioma worden aanvaard.
Blumenbach bracht de doelgerichtheid van de natuur in uitdrukking in de term Bildungstrieb. Deze
theorie vertoonde parallellen met die van Kant, ze zijn dan ook beide geïnspireerd door Buffon en
Haller. De bildungstrieb is het ‘vormende’ principe dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling,
doelmatig functioneren en voortplanten van organismen. De bildungstrieb kan niet los van de
materie bestaan (zoals bij de ziel wel werd gedacht). De bildungstrieb was dan ook de expressie van
de potentie tot organisatie die gelegen is in de materie van levende organismen. Hij vergeleek het
dan ook met de zwaartekracht van Newton: het wezen van de kracht blijft voor ons verborgen, maar
we ervaren wel de effecten hiervan. Door de bildungstrieb te bestuderen wilde Blumenbach de
functionele organisatie van levende wezens achterhalen, zoals Newton al had gedaan voor de
anorganische natuur.
Blumanbach zette zich af tegen Linnaeus; enkel op basis van ‘willekeurige’ uiterlijke kenmerken kan
onmogelijk een natuurlijke indeling tot stand komen. Natuurlijke verwantschap berust op een
overeenkomst in organisatie, en dus in Bildungstrieb. Om de natuur te kunnen doorgronden moet de
Bildungstrieb dus bestudeerd worden.
Volgens Blumenbach was de soort het enige natuurlijke eenheid. De individuen van een soort
bevatten dezelfde organisatie en dus dezelfde Bildungstrieb.
Buffon ging uit van het reproductiecriterium: dieren die onderling vruchtbare nakomelingen
produceren behoren tot dezelfde soort. Blumenbach was het hier niet helemaal mee eens, het
criterium toonde zich soms onjuist, en daarnaast was het een onbegonnen werk. Blumenbach was
het hier dus wel met Linnaeus eens; er moest een uiterlijk kenmerk als criterium komen. Dit zou dan