NAAM
STRAAT + HUISNUMMER
POSTCODE + PLAATS
TELEFOONNUMMER
MAILADRES,
PLAATS, 8 oktober 2018
Belastingdienst/bezwaar en beroep/kantoor Den Haag
Pr. Beatrixlaan 512
2595 BL Den Haag
Inzake: Bezwaarschrift tegen aanslag ex art. 7:1 Awb, namens Diederik Peters, Bloemstraat 5, 3014
KA, aanslag nummer 1424.66.890.H67.
Bijlage:
I. Machtiging vertegenwoordiging
II. Navorderingsaanslag Inkomstenbelasting 2016
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij maak ik namens Diederik Peters (‘belanghebbende’) bezwaar tegen in aanhef genoemde
aanslag.
Het bezwaar richt zich tegen het navolgende:
De navorderingsaanslag die de inspecteur heeft opgelegd, is een navordering in de zin van art. 16
AWR. Om een navordering op te kunnen leggen moet de inspecteur beschikken over een nieuw feit.
De feiten die bij mijn cliënt van belang zijn, zijn geen nieuwe feiten. De inspecteur kon al langere tijd
beschikken over de gegevens van de auto. Mijn cliënt betaalt sinds de aanschaf van de auto (2013)
belasting over de auto o.g.v. de Wet op de belasting van personenauto´s en motorrijwielen 1992,
deze gegevens zijn reeds bekend bij de fiscus. Hiernaast kon de inspecteur ook beschikken over de
spaarrekening in Zuid-Afrika. Door de Common Reporting Standard deelt Zuid-Afrika gegevens m.b.t.
spaarrekeningen met de Nederlandse fiscus. Bovendien heeft mijn cliënt contact gehad met de
BelastingTelefoon over de taallessen, hier kon de inspecteur ook al van op de hoogte zijn. Doordat er
geen nieuwe feiten zijn, is de naheffingsaanslag niet geldig.
Mijns inziens is er in deze situatie met vooringenomenheid gehandeld. Uit de wet blijkt dat dit niet is
toegestaan. Een bestuursorgaan dient zijn taak te vervullen zonder vooringenomenheid (art. 3:3
Awb jo. 2:4 Awb). Doet de inspecteur dit niet, dan schendt hij zowel de wet als de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Dat er gehandeld is met vooringenomenheid blijkt uit het gesprek
dat de inspecteur onlangs met mijn cliënt heeft gevoerd. Mijn cliënt gaf de inspecteur tijdens dit
gesprek verschillende redenen aan waarom zowel de taallessen als de buitenlandse rekening niet
aangegeven zijn in de inkomstenaangifte. Aan deze argumenten geeft de inspecteur geen gehoor,
het enige wat de inspecteur aangeeft is dat mijn cliënt een hoge navordering kan verwachten.
Inhoudelijk gaat de inspecteur niet in op de argumenten van mijn cliënt. Het feit dat de inspecteur
het oordeel al klaar heeft, zonder rekening te houden met de gegeven argument van mijn cliënt,
duidt er op dat de inspecteur het verbod op vooringenomenheid schendt. De inspecteur heeft al een
oordeel klaar voordat mijn cliënt zijn mening kan uiten.