Begrippenlijst hoofdstuk 4 bij Portaal
Begrippenlijst hoofdstuk 4
In deze begrippenlijst vind je de begrippen van de Kennisbasis Nederlandse taal die besproken
worden in hoofdstuk 4 van Portaal.
Cognitieve Academische De vaardigheid om taal op een abstract niveau te
Taalvaardigheid (CAT) kunnen gebruiken om zo in een schoolse context
nieuwe informatie te kunnen verwerven en verwerken.
Cognitieve taalfuncties Taalfuncties waarmee een spreker de werkelijkheid
benoemt en ordent, zoal redeneren en projecteren.
Gesprekspatronen De manieren waarop de bijdragen aan een gesprek
gestructureerd zijn van de spreker en luisteraar.
Taalgebruikssituaties De situaties waarin een gesprek plaatsvindt en die de
manier van spreken bepalen, zoals een kringgesprek of
sollicitatiegesprek.
Luisterdoelen De doelen die een luisteraar hanteert omdat hij
bijvoorbeeld iets te weten wil komen of zijn mening wil
vormen.
Luisterstrategieën De vaardigheid van een luisteraar om betekenis te
Luistertaken koppelen aan klanken waardoor hij kan begrijpen wat
Luistervaardigheid hij hoort.
Sociale taalfuncties Taalfuncties die betrekking hebben op de interactie
tussen mensen, zoals zelfhandhaving en zelfsturing.
Spreekdoelen De doelen die een spreker hanteert omdat hij
bijvoorbeeld een ander wil informeren of overtuigen.
Spreektaken Een monoloog houden
Spreektechniek De techniek om op een juiste manier klanken te
produceren, zodat de spreker goed verstaanbaar is.
Spreekvaardigheid De vaardigheid van een spreker om woorden en zinnen
te vormen die luisteraars begrijpen.
1 van 2
Begrippenlijst hoofdstuk 4
In deze begrippenlijst vind je de begrippen van de Kennisbasis Nederlandse taal die besproken
worden in hoofdstuk 4 van Portaal.
Cognitieve Academische De vaardigheid om taal op een abstract niveau te
Taalvaardigheid (CAT) kunnen gebruiken om zo in een schoolse context
nieuwe informatie te kunnen verwerven en verwerken.
Cognitieve taalfuncties Taalfuncties waarmee een spreker de werkelijkheid
benoemt en ordent, zoal redeneren en projecteren.
Gesprekspatronen De manieren waarop de bijdragen aan een gesprek
gestructureerd zijn van de spreker en luisteraar.
Taalgebruikssituaties De situaties waarin een gesprek plaatsvindt en die de
manier van spreken bepalen, zoals een kringgesprek of
sollicitatiegesprek.
Luisterdoelen De doelen die een luisteraar hanteert omdat hij
bijvoorbeeld iets te weten wil komen of zijn mening wil
vormen.
Luisterstrategieën De vaardigheid van een luisteraar om betekenis te
Luistertaken koppelen aan klanken waardoor hij kan begrijpen wat
Luistervaardigheid hij hoort.
Sociale taalfuncties Taalfuncties die betrekking hebben op de interactie
tussen mensen, zoals zelfhandhaving en zelfsturing.
Spreekdoelen De doelen die een spreker hanteert omdat hij
bijvoorbeeld een ander wil informeren of overtuigen.
Spreektaken Een monoloog houden
Spreektechniek De techniek om op een juiste manier klanken te
produceren, zodat de spreker goed verstaanbaar is.
Spreekvaardigheid De vaardigheid van een spreker om woorden en zinnen
te vormen die luisteraars begrijpen.
1 van 2