Oefentoets 1: arbeids- en organisatiepsychologie
1 Wat is volgens de auteur van ‘Top en flop leerstrategieën’ NIET effectief?
A Zelf uitleg geven
B Ezelsbruggen
C Oefentoetsen maken
2 Model 19 kernkwadranten: Wat is het negatief tegenovergestelde van een kernkwaliteit?
A Een allergie
B Een valkuil
C Een uitdaging
D Een kerntekort
3 Model 19 kernkwadranten: Wat is de valkuil voor een flexibel iemand?
A Wispelturig
B Standvastig
C Starheid
D Geduld
4 Model 1 situationeel leiderschap: Wat is de gewenste stijl van een medewerker met een lage
competentie & voldoende bereidheid/zelfvertrouwen?
A Overleggen
B Overtuigen
C Instrueren
D Delegeren
5 Model 1 situationeel leiderschap: Wat is een nadeel van dit model?
A Het impliceert dat er per medewerker voor 1 stijl van leiding geven kan worden gekozen
B Het houdt geen rekening met de contigentiegedachte
C Het houdt geen rekening met medewerkers die niet kunnen en willen
D Het houdt geen rekening met de ontwikkeling dat steeds meer teams zelfsturend zijn
6 Model 35 organisatiepersoonlijkheid: De aantrekkingskracht van organisaties is sterk afhankelijk
van..
A De verwachte fit tussen het individu en de organisatie
B Vriendelijkheid, ondernemendheid, stabiliteit en kwaliteitsgericht
C Arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhouding
D Winstgevendheid, productpositionering en concurrentiekracht
7 Model 35 organisatiepersoonlijkheid: Waar geeft het model inzicht in?
A De cultuur van een organisatie
B De structuur van een organisatie
C De strategie van een organisatie
D De SWOT van een organisatie
8 Model 36 leervoorkeuren: Welke perspectieven beziet ‘Language of learning’ leren?
1 Wat is volgens de auteur van ‘Top en flop leerstrategieën’ NIET effectief?
A Zelf uitleg geven
B Ezelsbruggen
C Oefentoetsen maken
2 Model 19 kernkwadranten: Wat is het negatief tegenovergestelde van een kernkwaliteit?
A Een allergie
B Een valkuil
C Een uitdaging
D Een kerntekort
3 Model 19 kernkwadranten: Wat is de valkuil voor een flexibel iemand?
A Wispelturig
B Standvastig
C Starheid
D Geduld
4 Model 1 situationeel leiderschap: Wat is de gewenste stijl van een medewerker met een lage
competentie & voldoende bereidheid/zelfvertrouwen?
A Overleggen
B Overtuigen
C Instrueren
D Delegeren
5 Model 1 situationeel leiderschap: Wat is een nadeel van dit model?
A Het impliceert dat er per medewerker voor 1 stijl van leiding geven kan worden gekozen
B Het houdt geen rekening met de contigentiegedachte
C Het houdt geen rekening met medewerkers die niet kunnen en willen
D Het houdt geen rekening met de ontwikkeling dat steeds meer teams zelfsturend zijn
6 Model 35 organisatiepersoonlijkheid: De aantrekkingskracht van organisaties is sterk afhankelijk
van..
A De verwachte fit tussen het individu en de organisatie
B Vriendelijkheid, ondernemendheid, stabiliteit en kwaliteitsgericht
C Arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhouding
D Winstgevendheid, productpositionering en concurrentiekracht
7 Model 35 organisatiepersoonlijkheid: Waar geeft het model inzicht in?
A De cultuur van een organisatie
B De structuur van een organisatie
C De strategie van een organisatie
D De SWOT van een organisatie
8 Model 36 leervoorkeuren: Welke perspectieven beziet ‘Language of learning’ leren?