2
1. Vanwege de beperking van het … is het verstandig om niet mobiel te bellen tijden het
autorijden.
a. Sensorisch geheugen
b. Werkgeheugen
c. Procedureel geheugen
d. Langetermijn geheugen
2. In welk voorbeeld moet Inge haar prospectief gebeuren gebruiken.
a. Als inge probeert uit te rekenen hoeveel 25 x 35 is
b. Als inge moet onthouden dat ze morgen een afspraak bij de tandarts heeft
c. Als inge moet onthouden waar ze haar auto geparkeerd heeft in een vreemde stad
d. Als inge zich probeert te herinneren wat ze net heeft gelezen in haar studie boek
3. Het episodisch geheugen is een deel van:
a. Procedureel geheugen
b. Korte termijn geheugen
c. Sensorisch geheugen
d. Declaratief geheugen
4. Het fenomeen “stemmingscongruente herinnering” houdt in dat je:
a. Negatieve dingen beter opslaat wanneer je in een positieve stemming bent
b. Negatieve dingen beter opslaat in het geheugen als je in een negatieve stemming
bent
c. Negatieve dingen beter herinnert als je een negatieve stemming bent
d. Negatieve dingen beter herinnert als je in een positieve stemming bent
5. Wat is een voorbeeld van een bewust persoon?
a. Ademhalen
b. Het goede antwoord op deze vraag kiezen
c. Bloeddruk reguleren
d. Knipperen met je ogen
6. Wat is waar over dagdromen?
a. Er zijn weinig mensen die iedere dag dagdromen
b. We dagdromen meer naarmate we ouder worden
c. Bij dagdromen verschuift de aandacht naar het fantaseren (definitie van dagdromen)
d. Dagdromen is normaal bij kinderen, maar niet bij volwassenen