h1 Infuus:
Verschillende redenen om een infuus in te brengen:
● inbrengen van vocht: wanneer de opnamen van vocht via het spijsverteringskanaal
gestoord of ongewenst is, wordt via het infuus een waterige vloeistof toegediend.
vochttekort kan ontstaan door: onvoldoende vochtopname, groot vochtverlies door
braken of diarree, bloedverlies, plasmaverlies of koorts.
de meest vochtinbrengende infusie bestaan uit waterige oplossingen van zouten en
suikers, met zodanige oplossing dat dit isotoon is aan het bloed (dezelfde
osmotische waarde waardoor het vloeistof gemakkelijk in het bloed wordt
opgenomen
● inbrengen van voeding: als een zorgvrager te weinig voedingsstoffen binnen krijgt
het infuus kan via vervangingstherapie (wanneer een zorgvrager stoffen verliest.) of
correctie therapie (wanneer het zuurtegraad van het bloed te hoog of te laag is, in dit
geval wordt er corrigerende vloeistoffen toegediend.)
een voedingsinfuus wordt meestal in de ader onder het sleutelbeen geplaatst, dit als
dit in de arm wordt toegediend de osmotische druk te groot is (hypertoon) hierdoor
heeft de vloeistof een irriterende werking en dit heeft risico op aderontsteking.
● Inbrengen van bloed: kan bestaan uit bloed, bloedcomponenten en plasma.
● Inbrengen van medicijnen: Oplossen is nodig wanneer de medicijnen in
geconcentreerde vorm tot ernstige beschadiging van de vaatwand kunnen leiden.
● openhouden van een ader: de inloopsnelheid is dan erg laag. dit wordt een
waakinfuus genoemd, als het nodig is kan er meteen medicatie worden toegediend,
dit is een voorzorgsmaatregel.
H.2 Toedieningsvormen.
Perifeer infuus (als de venen die worden gebruikt direct onder de huid zitten)
de venen die voor het perifeer infuus het meest toegankelijk zijn de onderhuidse venen van
de handrug of onderarm, met uitzondering worden soms ook de venen van de voet gebruikt.
welke naald je gebruikt hangt af van de vene waarin het infuus wordt aangebracht, maar ook
van de vloeistof die gegeven wordt. (bij bloed een dikkere naald)
e perifere canule is korter dan de canule die je gebruikt voor een centraal infuus: het uiteinde
van de canule ligt maximaal zes cm van de insteekopening. De dikte van de canule is afhankelijk
van het doel van de infusietherapie en van de vaten van de zorgvrager.
Centraal infuus (als er gebruik wordt gemaakt van de grote vene die in de rechterboezem
van het hart uitkomt)
mag alleen door de arts worden ingebracht wordt meestal ingebracht in de vene onder het
sleutelbeen (vena subclavia) Bij het inbrengen van een centraal infuus bestaat altijd het gevaar
dat men met de katheter door de venen heen prikt en de longtop wordt aangeprikt. Hierdoor kan
een ‘klaplong’, een pneumothorax, ontstaan, om er zeker van te zijn dat er geen klaplong is
wordt naar het aanbrengen een thoraxfoto gemaakt.
Een ander risico is dat tijdens het inbrengen de tip van de katheter in de buurt van het hart komt
en het hart prikkelt. Er kunnen dan ritmestoornissen optreden. Om dit goed te kunnen
observeren, ligt de zorgvrager tijdens het aanprikken aan een hartmonitor.