Bronnen: van der Horst (blz. 13, 27-32), Koops, Levering & De Winter (blz. 58 – 63),
Bohn, Strafleu & van Loghum (blz. 74 – 85), Leenders (blz. 41 – 53),
Levering (blz. 1- 6), De Geus (blz. 14 – 23), Bakermans-Kranenburg (blz. 231 – 242).
Vignet A – Levering + van der Horst + Koops, Levering & De Winter + Leenders
1) Wat is het nature/nurture debat?
In het nature/nurture debat bestaan verschillende groepen denkers. Als eerste
zijn er de gedragsgenetici die nadruk leggen op de invloed van de genen,
oftewel de kant van nature. Daarnaast bestaan er de omgevingsdenkers die de
invloed van de omgeving groot inschatten, oftewel de kant van nurture.
Voor de definitie van nature zijn er twee mogelijkheden. In de ruime zin betekent
nature, oftewel aangeboren, alles wat invloed heeft gehad tot en met de
geboorte en op het ontwikkelingsverloop van in het individu. Hieronder vallen dus
alle erfelijke factoren, maar ook alle invloeden die tijdens de zwangerschap van
toepassing zijn geweest en ook de invloeden tijdens de geboorte.
In de “engere” zin wordt nature alleen gedefinieerd als de erfelijke informatie,
zoals die is vastgelegd in de genen en chromosomen.
Wat betreft nurture, oftewel aangeleerd, spelen de volgende mogelijkheden
vanuit de omgeving een rol:
Culturele transmissie: gewoonten in een bepaalde cultuur die vanzelfsprekend
zijn geworden.
Gedeelde omgeving: de omgeving die een kind deelt met anderen.
Unieke omgeving: de invloed die voor het kind uniek is, zoals een bepaalde
ziekte die de moeder tijdens de zwangerschap heeft gehad.
De effecten van de genen en de omgeving kunnen elkaar versterken of
tegenwerken. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn:
Assortative mating (“soort zoekt soort”): personen met bepaalde eigenschappen
kiezen of krijgen vaak een partner met dezelfde eigenschappen. Bij hun
nakomelingen is de kans op deze eigenschappen dan groter dan wanneer ouders
op een bepaalde eigenschap veel zouden verschillen.
Correlatie tussen genen en omgeving, waarbij drie mechanismes kunnen worden
onderscheiden:
Ouders geven hun kinderen genen en omgeving door die niet onafhankelijk
zijn. Bijvoorbeeld: ouders met een hoge intelligentie, geven hun kinderen
ook een intellectuele omgeving mee.
Een kind kiest een omgeving die passend is.
Een kind met een bepaalde genetische “bagage” roept bepaalde reacties
op uit de omgeving.
Interactie tussen genen en omgeving: het effect van de omgeving is afhankelijk
van de genen van het kind.
Sociale interactie: kinderen gaan vaak veel met personen om met wie ze
genetisch verwant zijn, zoals hun ouders of broers/zussen.
2) Welke stromingen en denkers zijn er in het nature/nurture debat?
1