Gedragsbiologie deeltentamen 1
HC 1 Intro H1
Gedrag
- Manier waarop dieren interactieren met andere organismen en hun omgeving
- En verandering in activiteit van een organisme in respons tot een interne of externe stimulus
- Is adaptief en blijft bestaan als het de fitness van het dier verhoogt
Geschiedenis van gedrag
- Wij zijn niet summun van intelligentie
- Elk dier is zo goed mogelijk aangepast aan zijn eigen leefomgeving
- Gaat om hoeveel intelligentie een dier nodig heeft
- Niet anecdotes en antropomorfisme op dieren
- Eugenetica
Vergelijkende psychologie
- Focus op observeren van reacties in dieren
- Occam’s razor <— scheer de ingewikkeldste theorieën weg
- Thorndike, Pavlov
Ethologie
- Tegelijk in Europa
- Focus op instinctief gedrag in natuurlijke omgeving
- Tinbergen & Lorenz
Tinbergen’s 4 why’s
Proximaat (Mechanisme, dichtbij)
1. Causatie (Mechanisme)
2. Ontogenie (Development)
Ultimaat (Functie, lange termijn)
3. Evolutie (Phylogenie)
4. Functie (Survival, Fitness)
Animal Behaviour:
Causation
Development
Evolution
Function
Gedrag bestuderen
- Observationeel
- Experimenteel: verschillende factoren veranderen maar ook factoren hetzelfde te houden —>
kijken wat gedrag triggert
- Comparatief
Kunnen we emotie bepalen en lezen, kunnen we weten wat een dier denkt?
HC 2 Neuro gedrag H4
Informatieverwerking
- Onze hersenen ervaren dingen allemaal anders en bepalen ons gedrag
- Dendrieten —> cellichaam —> axon
- Signaal op ogen —> activeert cellen —> activeren weer andere groepen van cellen
,- Optische illusie (geheugen paadjes):
- Visuele groep cellen is hetzelfde maar je hersenen kunnen kiezen welke volgende groep
cellen worden geactiveerd (welke groep wordt geinhibeerd)
- Voorbeeld rat:
- Excitatie niet heel anders bij de verschillende geluiden
- Inhibitatie wel anders
- Remming bepaalt het brein
Leren
- Excitoir: GLUT
- Inhibitoir: GABA
- Plasticiteit (hersenverbindingen veranderen als je ze gebruikt):
- Ene cel activeert vaak andere cel —> sterkere verbinding
- Cellen worden vaak apart van elkaar geactiveerd —> zwakkere verbinding
- Halve hond zien—> honden hersencellen activeren elkaar waardoor je hele hond ziet
- Motor cortex leert
- Inhibition controls information processing
- 10%-20% inhibitoire synapsen
- Inhibitie moet even verlagen zodat plasticiteit kan plaatsvinden:
- ‘de rem moet er even af voordat excititoir kan aanpassen’
Clustering of dendrites
- Vergroot impact
- Inhibitoire synapsen vooral lokaal invloed (op A, B of C)
- ‘Gaten’ deze groepen
- Context 1: B & C geremd, A groot
- Context 2: A geremd, B & C groot
- Vaak ook inhibitiore synapsen invloed op andere inhibitiore synapsen (remming van remming)
- A remt de remming van B & C
Brein ontwikkeling
- Prefrontale cortex: risico, sociale interacties, plannen
- Begin vooral sensory
- Bepaalde klanken zal je nooit kunnen als niet in kritische periode is geleerd
- Pasgeboren dieren zien niks omdat de cel(connecties) er nog niet zijn (circuit aanmaken)
- Signalen komen binnen, maar brein weet niet aan welke cellen ze moeten worden gekoppeld
- Cellen zijn er wel al, maar er moet worden gezorgd dat specifieke verbindingen worden
gestimuleerd en anderen weer geremd
- Innate brein activiteit
- Vroeg in de ontwikkeling veel spontane activiteit van connectie (los van een input op de
synaps)
- Zorgt dat specifieke nodige connecties worden aangemaakt en versterkt (klaarstomen)
- Hoe hoger in de voedselketen, hoe meer plasticiteit nodig is
, - C elegans: weinig plasticiteit, synapsen genetisch vastgelegd
Aangeboren gedrag
- Grote schaduw? —> muis rent naar hok
- Bij een kleine schaduw is de threshold nog niet bereikt
- Hoe verder weg van hok, hoe groter de kans dat hij freezet
Balans excitatie en inhibitie
- Excitatie iets groter dan inhibitie: helemaal verstoord gedrag
- Verder niks met hersenen aan de hand
HC 3 Leren + trainen van dieren H3
Leren van dieren
- = aanpassen van gedrag door eerdere gebeurtenissen
- Niet meer neuronen, maar meer en sterkere verbindingen
1. Toename myeline voor snellere overdracht axonen
2. Groei synapsen
3. Meer neurotransmitters (LTP)
4. Meer receptoren (LTP)
5. Vorming nieuwe dendrieten
- Gelijke omstandigheden: weinig selectie op leren
- Zwaardere omstandigheden: meer selectie op leren
Vormen van leren
NON ASSOCIATIEF
Habituatie
- Respons op herhaaldelijke stimulus neemt af, wennen
- Korte termijn: minder neurotransmitter afgifte
- Lange termijn: verbindingen verdwijnen
- Adaptieve waarde: beter in staat om grote
hoeveelheden informatie te filtreren
Sensitisatie
- Respons op herhaaldelijke stimulus neemt
toe
- Bij shock komt serotonine vrij —> korte
termijn: meer afgifte neurotransmitters,
lange termijn: meer verbindingen
- Adaptieve waarde: alertheid
ASSOCIATIEF
Klassiek conditioneren
- Een neutrale (voorwaardelijke) stimulus
wordt geassocieerd met een beloning/straf
(onvoorwaardelijke stimulus)
- Fire together = wire together
- Meer neurotransmitters en verbindingen
- Vergelijkbaar met sensitisatie maar
biochemisch proces verschilt
HC 1 Intro H1
Gedrag
- Manier waarop dieren interactieren met andere organismen en hun omgeving
- En verandering in activiteit van een organisme in respons tot een interne of externe stimulus
- Is adaptief en blijft bestaan als het de fitness van het dier verhoogt
Geschiedenis van gedrag
- Wij zijn niet summun van intelligentie
- Elk dier is zo goed mogelijk aangepast aan zijn eigen leefomgeving
- Gaat om hoeveel intelligentie een dier nodig heeft
- Niet anecdotes en antropomorfisme op dieren
- Eugenetica
Vergelijkende psychologie
- Focus op observeren van reacties in dieren
- Occam’s razor <— scheer de ingewikkeldste theorieën weg
- Thorndike, Pavlov
Ethologie
- Tegelijk in Europa
- Focus op instinctief gedrag in natuurlijke omgeving
- Tinbergen & Lorenz
Tinbergen’s 4 why’s
Proximaat (Mechanisme, dichtbij)
1. Causatie (Mechanisme)
2. Ontogenie (Development)
Ultimaat (Functie, lange termijn)
3. Evolutie (Phylogenie)
4. Functie (Survival, Fitness)
Animal Behaviour:
Causation
Development
Evolution
Function
Gedrag bestuderen
- Observationeel
- Experimenteel: verschillende factoren veranderen maar ook factoren hetzelfde te houden —>
kijken wat gedrag triggert
- Comparatief
Kunnen we emotie bepalen en lezen, kunnen we weten wat een dier denkt?
HC 2 Neuro gedrag H4
Informatieverwerking
- Onze hersenen ervaren dingen allemaal anders en bepalen ons gedrag
- Dendrieten —> cellichaam —> axon
- Signaal op ogen —> activeert cellen —> activeren weer andere groepen van cellen
,- Optische illusie (geheugen paadjes):
- Visuele groep cellen is hetzelfde maar je hersenen kunnen kiezen welke volgende groep
cellen worden geactiveerd (welke groep wordt geinhibeerd)
- Voorbeeld rat:
- Excitatie niet heel anders bij de verschillende geluiden
- Inhibitatie wel anders
- Remming bepaalt het brein
Leren
- Excitoir: GLUT
- Inhibitoir: GABA
- Plasticiteit (hersenverbindingen veranderen als je ze gebruikt):
- Ene cel activeert vaak andere cel —> sterkere verbinding
- Cellen worden vaak apart van elkaar geactiveerd —> zwakkere verbinding
- Halve hond zien—> honden hersencellen activeren elkaar waardoor je hele hond ziet
- Motor cortex leert
- Inhibition controls information processing
- 10%-20% inhibitoire synapsen
- Inhibitie moet even verlagen zodat plasticiteit kan plaatsvinden:
- ‘de rem moet er even af voordat excititoir kan aanpassen’
Clustering of dendrites
- Vergroot impact
- Inhibitoire synapsen vooral lokaal invloed (op A, B of C)
- ‘Gaten’ deze groepen
- Context 1: B & C geremd, A groot
- Context 2: A geremd, B & C groot
- Vaak ook inhibitiore synapsen invloed op andere inhibitiore synapsen (remming van remming)
- A remt de remming van B & C
Brein ontwikkeling
- Prefrontale cortex: risico, sociale interacties, plannen
- Begin vooral sensory
- Bepaalde klanken zal je nooit kunnen als niet in kritische periode is geleerd
- Pasgeboren dieren zien niks omdat de cel(connecties) er nog niet zijn (circuit aanmaken)
- Signalen komen binnen, maar brein weet niet aan welke cellen ze moeten worden gekoppeld
- Cellen zijn er wel al, maar er moet worden gezorgd dat specifieke verbindingen worden
gestimuleerd en anderen weer geremd
- Innate brein activiteit
- Vroeg in de ontwikkeling veel spontane activiteit van connectie (los van een input op de
synaps)
- Zorgt dat specifieke nodige connecties worden aangemaakt en versterkt (klaarstomen)
- Hoe hoger in de voedselketen, hoe meer plasticiteit nodig is
, - C elegans: weinig plasticiteit, synapsen genetisch vastgelegd
Aangeboren gedrag
- Grote schaduw? —> muis rent naar hok
- Bij een kleine schaduw is de threshold nog niet bereikt
- Hoe verder weg van hok, hoe groter de kans dat hij freezet
Balans excitatie en inhibitie
- Excitatie iets groter dan inhibitie: helemaal verstoord gedrag
- Verder niks met hersenen aan de hand
HC 3 Leren + trainen van dieren H3
Leren van dieren
- = aanpassen van gedrag door eerdere gebeurtenissen
- Niet meer neuronen, maar meer en sterkere verbindingen
1. Toename myeline voor snellere overdracht axonen
2. Groei synapsen
3. Meer neurotransmitters (LTP)
4. Meer receptoren (LTP)
5. Vorming nieuwe dendrieten
- Gelijke omstandigheden: weinig selectie op leren
- Zwaardere omstandigheden: meer selectie op leren
Vormen van leren
NON ASSOCIATIEF
Habituatie
- Respons op herhaaldelijke stimulus neemt af, wennen
- Korte termijn: minder neurotransmitter afgifte
- Lange termijn: verbindingen verdwijnen
- Adaptieve waarde: beter in staat om grote
hoeveelheden informatie te filtreren
Sensitisatie
- Respons op herhaaldelijke stimulus neemt
toe
- Bij shock komt serotonine vrij —> korte
termijn: meer afgifte neurotransmitters,
lange termijn: meer verbindingen
- Adaptieve waarde: alertheid
ASSOCIATIEF
Klassiek conditioneren
- Een neutrale (voorwaardelijke) stimulus
wordt geassocieerd met een beloning/straf
(onvoorwaardelijke stimulus)
- Fire together = wire together
- Meer neurotransmitters en verbindingen
- Vergelijkbaar met sensitisatie maar
biochemisch proces verschilt