Drie kenmerkende Levensbeschouwelijke stadia
Onderstaand geef ik de visie over de levensbeschouwelijke ontwikkeling van het kind volgens Erikson, Kohlberg en
Fowler weer
Onderbouw:
1. Erikson, initiatief versus schuld (4-6 jaar): Hij beschrijft, dat de ontwikkeling van binnen naar buiten ervaren
wordt bij het jonge kind. Kleuters zijn ondernemend en hebben een rijke fantasie. Logica, zoals oorzaak en gevolg
zijn hier nog niet van toepassing. Het kind leert vanuit zichzelf (binnen) om activiteiten te ondernemen en taakjes
te verrichten. De wereldse kennis van het kind, wordt vergroot door het zelfstandig ontdekken van de dagelijkse
activiteiten. Als het kind niet genoeg ruimte krijgt voor eigen initiatieven en ondernemingsschap of te weinig
veiligheid of structuur ondervindt, zal het zich schuldig voelen in plaats van initiatief te nemen. Zij vermijden
datgene, waar straf op staat, maar ze zijn zich nog niet bewust van de consequentie van hun handelen.
2. Kohlberg, preconventioneel niveau (voor 9 jaar): Het kind bekijkt ervaringen eerst vanuit straffen en belonen en
probeert deze ervaringen na te leven. In een later stadium gaat het om eigen belang en het kind wil voorkomen dat
het gestraft wordt. Daarbij denkt het niet of dit in het nadeel van een ander zal zijn.
3. Fowler, initiatief -projecterende levensbeschouwing (3-7 jaar): Kleuters beleven emoties heel intens. Kleuters zijn
erg emotioneel van aard, alles wordt beleefd en vertaald vanuit hun eigen emotie. Objectief vermogen is er nog
niet op deze leeftijd. De jonge kinderen kunnen ervaringen alleen vanuit hun eigen perspectief bekijken.
Dit wordt ook wel het “ ik-gericht kijke” genoemd
Middenbouw:
1. Erikson, arbeidzaamheid- minderwaardigheid (6-12 jaar) : Vanaf zes jaar heeft het kind zicht op de buitenwereld
en leert het kind emoties te onderdrukken, filteren en zich minder direct te uiten. De directe primaire reacties
nemen af en worden langzamerhand secondaire reacties. Eerst nadenken, dan doen. Wanneer het kind de leeftijd
heeft van een schoolkind, ontstaat er zelfbeoordeling en merkt het dat anderen hem ook beoordelen, dus van
buiten naar binnen, waardoor zelfvertrouwen of minderwaardigheidsgevoelens kunnen ontstaan.
2. Kohlberg, preconventioneel niveau (voor 9 jaar): Het kind bekijkt ervaringen eerst vanuit straffen en belonen. En
probeert de opgedane ervaringen na te leven. In een later stadium gaat het om eigen belang en de wil om te
voorkomen om gestraft te worden. Ongeacht of dit nadelig voor ander zal zijn.
3. Fowler, Mythisch-letterlijke levensbeschouwing ( 6-7 en 11- 12 jaar): Bij de middenbouw denken de kinderen
concreet. Zij zullen verhalen en symbolen als letterlijk beschouwen, waardoor er weinig tot geen ruimte is voor
filosofisch denken. Fantasie en realiteit staan los van elkaar.
Bovenbouw:
1. Erikson, arbeidzaamheid- minderwaardigheid (6-12 jaar). Er zijn intensieve contacten met leeftijdgenoten, wat
een sociale druk losmaakt. Prestatie leveren wordt heel belangrijk in deze fase. Men gaat zich met elkaar
vergelijken. Wanneer het kind niet goed presteert kan er een minderwaardigheidsgevoel ontstaan.
2. Kohlberg, preconventioneel niveau (voor 9 jaar ). Hierbij wordt bedoelt, dat het kind vaste regels en aan
duidelijkheid veel waarde hecht. Het is als het ware concreet redeneren. Zij staan nog niet open voor flexibiliteit of
uitzonderingen bij bepaalde situaties. Bijvoorbeeld dat regels aangepast kunnen worden. Kortom regels zijn het
belangrijkste en geven houvast.
, 3. Fowler, Synthetisch-conventionele levensbeschouwing (11/12 jaar): Kinderen kunnen begrip tonen voor
verschillende levensbeschouwingen, waardoor er een samenhang ontstaat m.b.t. visies. Er is nieuwsgierigheid naar
anderen, waardoor deze doelgroep makkelijk beïnvloedbaar kan zijn en meningen snel en regelmatig kunnen
veranderen. Door hun nieuwsgierigheid en openheid zijn deze kinderen gevoeliger voor symbolische betekenissen
van verhalen. Wel is er een persoonlijke voorkeur die dichtbij hen staat.
Evaluatie fase 1
Les 1: Rituelen
Het lesdoel was: een eigen visie of belevenis van rituelen kunnen vertalen in een tekening van houtskool en deze
later klassikaal te bespreken. Voor het klassikaal voordragen van deze opdracht waren maar weinig deelnemers. Dit
is ook wel te verklaren vanuit de theorie van Erikson. De doelgroep van middenbouw leerlingen ontwikkelt
schaamtegevoel en zijn bang om beoordeelt te worden door anderen. Daardoor kan het zelfvertrouwen afnemen
of kan er een minderwaardigheidsgevoel ontstaan. Nu ik op de hoogte ben van deze theorie, ga ik het de volgende
keer anders aanpakken. Vertrouwen creëert zelfvertrouwen. Wanneer leerlingen vertrouwen hebben in de klas en
zich op hun gemak voelen, zullen zij zich meer durven uiten en dus ook de tekening klassikaal durven presenteren.
Het vertrouwen ga ik creëren door vooraf regels te bespreken. We lachen elkaar niet uit tijdens de presentatie en
alles is goed!
Les 2: jeugdliteratuur Wonder
Lesdoel: aan het einde van de dagopening hebben de leerlingen persoonlijke betekenis kunnen geven aan het
hoofdstuk “Gewoon” van August uit het boek “Wonder.” Kohlberg omschrijft in het preconventioneel niveau, dat
de doelgroep behoefte heeft aan concrete situaties, om grip te krijgen op de wereld. Het onderwerp in het boek
“Wonder” heeft concrete situaties: Het verhaal speelt zich af in de huidige tijd. Het is tevens in de ik-vorm
geschreven en August heeft ongeveer dezelfde leeftijd, als de leerlingen van mijn praktijkklas. Door de concrete
situaties, begrepen de kinderen al heel gauw het verhaal.
Na het lezen van het verhaal, koos ik een aantal leerlingen uit, om een vraag voor te lezen aan een ander kind. De
leerlingen waren betrokken en voelden zich verantwoordelijk om te luisteren naar elkaar. De vragen waren vanuit
verschillende perspectieven belicht: August, de pestkoppen en de familie (beschermers). De redenaties van de
leerlingen werden soms bijgesteld, door de verschillende personage perspectieven. De verschillende perspectieven
zorgden voor een bepaald inlevingsvermogen van de leerlingen. Hierbij komt de theorie van Flower “meer dan ik”
aan bod. Flower benoemt dit als Synthetisch-conventionele levensbeschouwing fase. Typerend voor deze fase is
dan ook, dat het kind zijn inlevingsvermogen vergroot is, maar dit is nog wel in het beginstadium.
Als ik het bekijk, vanuit de theoretische benadering heb ik onbewust ingespeeld op de ontwikkelingsfase van de
doelgroep. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd tot een prettige en leerzame les. Aangezien ik nu op de hoogte ben
van de ontwikkelingskenmerken, kan ik in de toekomst bewust inspelen op de behoefte van de doelgroep.
Levensbeschouwelijke diversiteit in de praktijkklas
Op de openbare school staat men open voor verschillende diversiteiten, maar er wordt niet specifiek aandacht
besteed aan de levensbeschouwelijke diversiteiten van de kinderen. Wanneer er spontane gebeurtenissen plaats
zullen vinden en er levensbeschouwelijke diversiteit ter sprake komt, worden deze wel besproken tijdens
kringgesprekken.
Er is binnen de klas sprake van spontaniteit en laagdrempeligheid, als er levensbeschouwelijke diversiteiten aan
bod komen. Dit komt met name, omdat mijn praktijkschool een openbare school is. Diversiteit komt wanneer er
verschillen zijn binnen bepaalde visies of levenswijzen. De ontwikkeling binnen mijn praktijkklas kan ik stimuleren
door alert te zijn op levensbeschouwelijke verschillen. En deze dan onder de aandacht te brengen. Bijvoorbeeld bij