Naam: Sanne Gerads
Blok: GZW1021
Datum: 24-10-2018
Studentnummer: i6184790
, Deelvragen:
a) In hoeverre was er sprake van een gezonde zwangerschap? Vraag dit na bij je
ouders/opvoeders.
Tijdens de zwangerschap van mijn moeder was er ( buiten het passief roken van mijn vader )sprake
van een gezonde zwangerschap. Het passief rookgedrag van mijn vader heeft invloed gehad op de
zwangerschap van zowel mijn moeder als de embryonale ontwikkeling van mij. Uit een rapport uit de
Surgeon General (2014) komen aanwijzingen dat meeroken tijdens de zwangerschap kan leiden tot
een laag geboortegewicht. Dit zou mede een oorzaak kunnen zijn geweest voor mijn lage geboorte
gewicht ná de bevalling ( 2,24 kg). Echter, heeft mijn moeder voor een goed verloop van de
zwangerschap gezorgd, want ze heeft geen drugs genomen, geen alcohol gedronken of (zelf) geen
sigaretten gerookt. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik er tijdens de embryonale ontwikkeling verder
geen foetale groeivertraging ( door een zuurstoftekort ) en/of foetaal alcoholsyndroom heb
opgelopen (Tieleman, 2015). Bovendien heeft mijn moeder in de eerste 3 maanden van haar
zwangerschap foliumzuur geslikt, omdat er (3 tot 4 weken ná de bevruchting) een sluitingsproces
plaatsvindt van de neurale buis. Het verkleint de kans op geboorteafwijkingen, zoals een open
ruggetje, open gehemelte of een hazenlip, waar ná mijn geboorte geen sprake van was. Tijdens de
embryonale fase heeft er bij mij dus een goed sluitingsproces van de neurale buis plaatsgevonden.
Woorden: 212
1. Surgeon General (2014). The health consequences of smoking: 50 years of progress. Atlanta:
U.S. Department of Health and Human Services.
2. Tieleman, M. (2015). Levensfasen : De psychologische ontwikkeling van de mens. Derde druk.
Den Haag: Boom Lemma uitgevers. Relevante delen uit hoofdstuk 1
b) In hoeverre was er sprake van een gezonde hechting, welke opvoedingsstijl werd
gehanteerd en welke gevolgen had deze stijl voor jouw ontwikkeling?
Tijdens de opvoeding was er sprake van een gezonde/veilige hechting. Kijkend naar het onderzoek
van Harlow was voeding niet alleen belangrijk, maar ook liefde en warmte van ouders (Bernstein,
2012). Ik voelde me altijd comfortabel thuis en had nauwelijks tot geen onenigheid met mijn ouders.
Bovendien had ik een nieuwsgierig karakter en ging snel op ontdekking uit, maar in geval van
angstige of zorgelijke momenten zocht ik snel hulp of troost (voornamelijk) bij mijn moeder en werd
ik direct gerustgesteld. Ik heb dus een gezonde hechting ontwikkeld tijdens mijn kindertijd
(Ainsworth, 1973). Volgens Baumrind in Tieleman (2015) zouden mijn ouders een gezaghebbende
opvoeding gehanteerd hebben, want er waren regels in huis waar ik me als kind aan moest houden,
maar indien er problemen waren of ik ergens mee zat kon ik ook direct bij hen terecht. Bovendien
had ik een vrije opvoeding, waardoor ik erg zelfstandig ben geworden.
Er was dus sprake van zowel controle als zorgzaamheid ( Roos & Bucx, 2011). Door deze opvoedstijl
ben ik erg zelfstandig geworden, kan ik goed mijn grenzen bepalen in het dagelijks leven, ben ik erg
gegroeid in mijn sociale vaardigheden en zijn mijn prestaties op school verbeterd.
1