Eva Bardoul VW4D
BIOLOGIE
Hoofdstuk 2
2.1.1
Lichtmicroscoop
Microscopen zijn onmisbaar voor het bestuderen van celstructuren.
Bijvoorbeeld een lichtmicroscoop of een elektronenmicroscoop.
Onder een lichtmicroscoop worden cellen goed zichtbaar. Cellen bestaan
uit celorganellen (cel onderdelen). Van de organellen kunnen het
celmembraan, de kern, het celplasma, de vacuole en de plastiden
(zoals bladgroenkorrels) worden waargenomen.
2 ideeën als celtheorie:
* Celwanden van plantencellen zijn de afscheidingsproducten van de
eigenlijke levende cellen.
* Planten en dieren bestaan uit levende cellen.
2.1.2
Elektronenmicroscoop (EM)
- Wordt elektronenbundel door een voorwerp heen gestuurd. Als
kleuring van de preparaten dienen zouten van zware metalen die
aan de organellen hechten.
- Bundel wordt gericht op een fluorescerend scherm. Hierdoor komt
een elektronenschaduw van het voorwerp.
Nadeel: Voorwerp kan niet levend bekeken worden. Het is zwart-wit.
Voordeel: meer dan 1.000.000 maal vergroten.
Scanning elektronenmicroscoop (SEM):
* Details van het inwendige van een cel, vergrotingen van 6 miljoen maal.
* Uitgezonden elektronen onder vacuüm op het voorwerp gericht.
Cellen / onderdelen laten ze door, hierdoor komt een heel dun laagje
materiaal, wat zorgt voor weerkaatsing op de elektronensensor.
* Er wordt een beeld gevormd op de monitor.
2.2
Functie van celstructuren
Alle celstructuren die door een membraan omgeven zijn, noem je
organellen.
, Eva Bardoul VW4D
BIOLOGIE
Belangrijke organellen: (1 t/m 11)
* Lysosoom
* Celmembraan
* Mitochondrium
* Endoplasmatisch Reticulum (ER)
* Cytoplasma
* Kernmembraan
* Kernporie
* Kern
* Kernlichaampje
* Ribosoom
* Golgi-Systeem
2.2.1
De celkern
De celkern bevat erfelijke informatie van een organisme in de vorm van
genen. Deze genen bestaan uit DNA. Met die informatie bestuurt de kern
celprocessen die moeten
plaatsvinden om het lichaam
goed te laten functioneren.
Het kernmembraan bevat
kernporiën.
Hierdoor kunnen er stoffen in en
uit.
DNA + speciale eiwitten vormen
samen chromatine. De
chromatine wordt pas zichtbaar
in de vorm van chromosomen
als de kern begint te delen.
Een menselijk lichaamscel bevat 64 chromosomen.
Een geslachtsdeel bevat 2 chromosomen.
In het kernlichaampje liggen de genen voor de aanmaak van
ribosomen.
- Rode bloedlichaampjes zijn lichaamscellen, maar ze hebben geen
celkern. Het nadeel is dat ze dan een beperkte stofwisseling hebben en
ze zijn niet in staat in groei en deling.
- De celkern is een van de eerste organellen die werd ontdekt door een
mens.
- De celkern is het grootste organel in een cel.
- Het DNA in de celkern is 2 meter lang.
- Van 97% van je DNA is de functie nog niet bekent.
, Eva Bardoul VW4D
BIOLOGIE
- Tegenwoordig is het mogelijk om genen van het ene organisme in een
ander organisme te zetten.
2.2.2
Celmembranen
Het celmembraan scheidt de binnenkant van de cel van de buitenkant
van de cel. Het celmembraan bestaat uit verschillende onderdelen. Het
membraan bestaat uit 2 lagen vetmoleculen waaraan fosfolipiden zijn
gebonden:
Fosfolipiden – buitenkant – hydrofiel.
Vetgroepen – binnenkant – hydrofoob.
De vetmoleculen, dus de hydrofobe staarten, gaan allemaal bij elkaar
zitten omdat ze zo min mogelijk in contact willen komen met water. Dus je
hebt een laag hydrofiele koppen (de fosfolipiden) aan de buitenkant
met daaraan de hydrofobe staarten met de vetmoleculen, daaronder zit
nog een laag hydrofobe staarten en daaraan zitten weer hydrofiele
koppen.
Op deze manier ontstaat de structuur van het celmembraan. De
vetmoleculen worden ook wel lipiden genoemd.
Door deze bouw is het celmembraan soepel, vervormbaar en
waterafstotend. In de dubbele fosfolipidenlaag liggen eiwitmoleculen
en membraanporiën. Ze dienen beide als stoffen transport. Sommige
eiwitmoleculen dienen voor het doorgeven van signalen naar en van de
cel.
De membraanporiën kunnen open of dicht gaan. De verplaatsing van
stoffen door de poriën gaat met het concentratiegradiënt mee. Dus
waar de concentratie het laagst is, daar gaan de stoffen heen. Het
celmembraan is selectief permeabel en laat dus niet alle stoffen door.
Er zijn 2 soorten transport:
* Actief transport.
Dat kost de cel energie en gaat tegen de concentratiegradiënt in.
* Passief transport.
Dat kost de cel geen energie en gaat met de concentratiegradiënt mee.
Dat wordt mogelijk gemaakt door osmose / diffusie.
In de dubbele fosfolipidenlaag liggen cholesterolmoleculen. De
cholesterolmoleculen hebben invloed op de voelbaarheid van de cel.
Door meer of minder cholesterol in het membraan kan je de structuur
aanpassen.
Op het oppervlak van het celmembraan komen koolhydraten voor. Deze
koolhydraten zijn aan de eiwitten en de vetten in het celmembraan
gebonden en steken buiten het membraanoppervlak uit. Die
koolhydraten noem je ook wel glycocalyx. De glycocalyx is voor elke cel
kenmerkend, hij bepaald hoe de cel er aan de buitenkant uitziet. Ook is
BIOLOGIE
Hoofdstuk 2
2.1.1
Lichtmicroscoop
Microscopen zijn onmisbaar voor het bestuderen van celstructuren.
Bijvoorbeeld een lichtmicroscoop of een elektronenmicroscoop.
Onder een lichtmicroscoop worden cellen goed zichtbaar. Cellen bestaan
uit celorganellen (cel onderdelen). Van de organellen kunnen het
celmembraan, de kern, het celplasma, de vacuole en de plastiden
(zoals bladgroenkorrels) worden waargenomen.
2 ideeën als celtheorie:
* Celwanden van plantencellen zijn de afscheidingsproducten van de
eigenlijke levende cellen.
* Planten en dieren bestaan uit levende cellen.
2.1.2
Elektronenmicroscoop (EM)
- Wordt elektronenbundel door een voorwerp heen gestuurd. Als
kleuring van de preparaten dienen zouten van zware metalen die
aan de organellen hechten.
- Bundel wordt gericht op een fluorescerend scherm. Hierdoor komt
een elektronenschaduw van het voorwerp.
Nadeel: Voorwerp kan niet levend bekeken worden. Het is zwart-wit.
Voordeel: meer dan 1.000.000 maal vergroten.
Scanning elektronenmicroscoop (SEM):
* Details van het inwendige van een cel, vergrotingen van 6 miljoen maal.
* Uitgezonden elektronen onder vacuüm op het voorwerp gericht.
Cellen / onderdelen laten ze door, hierdoor komt een heel dun laagje
materiaal, wat zorgt voor weerkaatsing op de elektronensensor.
* Er wordt een beeld gevormd op de monitor.
2.2
Functie van celstructuren
Alle celstructuren die door een membraan omgeven zijn, noem je
organellen.
, Eva Bardoul VW4D
BIOLOGIE
Belangrijke organellen: (1 t/m 11)
* Lysosoom
* Celmembraan
* Mitochondrium
* Endoplasmatisch Reticulum (ER)
* Cytoplasma
* Kernmembraan
* Kernporie
* Kern
* Kernlichaampje
* Ribosoom
* Golgi-Systeem
2.2.1
De celkern
De celkern bevat erfelijke informatie van een organisme in de vorm van
genen. Deze genen bestaan uit DNA. Met die informatie bestuurt de kern
celprocessen die moeten
plaatsvinden om het lichaam
goed te laten functioneren.
Het kernmembraan bevat
kernporiën.
Hierdoor kunnen er stoffen in en
uit.
DNA + speciale eiwitten vormen
samen chromatine. De
chromatine wordt pas zichtbaar
in de vorm van chromosomen
als de kern begint te delen.
Een menselijk lichaamscel bevat 64 chromosomen.
Een geslachtsdeel bevat 2 chromosomen.
In het kernlichaampje liggen de genen voor de aanmaak van
ribosomen.
- Rode bloedlichaampjes zijn lichaamscellen, maar ze hebben geen
celkern. Het nadeel is dat ze dan een beperkte stofwisseling hebben en
ze zijn niet in staat in groei en deling.
- De celkern is een van de eerste organellen die werd ontdekt door een
mens.
- De celkern is het grootste organel in een cel.
- Het DNA in de celkern is 2 meter lang.
- Van 97% van je DNA is de functie nog niet bekent.
, Eva Bardoul VW4D
BIOLOGIE
- Tegenwoordig is het mogelijk om genen van het ene organisme in een
ander organisme te zetten.
2.2.2
Celmembranen
Het celmembraan scheidt de binnenkant van de cel van de buitenkant
van de cel. Het celmembraan bestaat uit verschillende onderdelen. Het
membraan bestaat uit 2 lagen vetmoleculen waaraan fosfolipiden zijn
gebonden:
Fosfolipiden – buitenkant – hydrofiel.
Vetgroepen – binnenkant – hydrofoob.
De vetmoleculen, dus de hydrofobe staarten, gaan allemaal bij elkaar
zitten omdat ze zo min mogelijk in contact willen komen met water. Dus je
hebt een laag hydrofiele koppen (de fosfolipiden) aan de buitenkant
met daaraan de hydrofobe staarten met de vetmoleculen, daaronder zit
nog een laag hydrofobe staarten en daaraan zitten weer hydrofiele
koppen.
Op deze manier ontstaat de structuur van het celmembraan. De
vetmoleculen worden ook wel lipiden genoemd.
Door deze bouw is het celmembraan soepel, vervormbaar en
waterafstotend. In de dubbele fosfolipidenlaag liggen eiwitmoleculen
en membraanporiën. Ze dienen beide als stoffen transport. Sommige
eiwitmoleculen dienen voor het doorgeven van signalen naar en van de
cel.
De membraanporiën kunnen open of dicht gaan. De verplaatsing van
stoffen door de poriën gaat met het concentratiegradiënt mee. Dus
waar de concentratie het laagst is, daar gaan de stoffen heen. Het
celmembraan is selectief permeabel en laat dus niet alle stoffen door.
Er zijn 2 soorten transport:
* Actief transport.
Dat kost de cel energie en gaat tegen de concentratiegradiënt in.
* Passief transport.
Dat kost de cel geen energie en gaat met de concentratiegradiënt mee.
Dat wordt mogelijk gemaakt door osmose / diffusie.
In de dubbele fosfolipidenlaag liggen cholesterolmoleculen. De
cholesterolmoleculen hebben invloed op de voelbaarheid van de cel.
Door meer of minder cholesterol in het membraan kan je de structuur
aanpassen.
Op het oppervlak van het celmembraan komen koolhydraten voor. Deze
koolhydraten zijn aan de eiwitten en de vetten in het celmembraan
gebonden en steken buiten het membraanoppervlak uit. Die
koolhydraten noem je ook wel glycocalyx. De glycocalyx is voor elke cel
kenmerkend, hij bepaald hoe de cel er aan de buitenkant uitziet. Ook is