Eva Bardoul
BIOLOGIE
Hoofdstuk 3
3.0
Celdeling, groei en ontwikkeling
In het begin bestaat een mens uit 1 cel, de zygote (bevruchte eicel). Dertig uur later zijn het
er twee, en zo verder. Na 3 dagen een bolletje, na 6 dagen nestelt dit bolletje zich en na 14
dagen begint het embryonale hartje te kloppen. Nu is het een embryo.
In dit hoofdstuk gaat het over celdeling, groei en ontwikkeling.
3.1
Vermeerdering van cellen
Cellen vermeerderen zich door deling. De bevruchte eicel deelt zich na 30 uur van de
bevruchting zich in tweeën.
Deze zijn half zo groot, omdat er geen plasmagroei optreedt (toename van de hoeveelheid
cytoplasma in een cel).
Omdat deze cellen steeds kleiner worden, noemen we deze delingen klievingsdelingen. Zo
gaat het door totdat de eicel is opgedeeld in cellen die de afmetingen van een lichaamscel
hebben. Je spreekt nu van het morula-stadium. Het lijkt dan op een framboos.
Vanaf dit stadium gaat de deling door tot de normale, gemiddelde grootte. Later gaan ze zich
specialiseren voor bijvoorbeeld spiercellen of zenuwcellen. Sommige cellen blijven je hele
leven delen. Sommige cellen verliezen hun delingsvermogen geheel, zoals spier of
zenuwcellen. Spiercellen groeien bij verwondingen weer aan elkaar, maar ze delen zich niet
opnieuw.
Ook bepaalde zenuwvezels kunnen weer aangroeien, maar voor zenuwcellen is dat
moeilijker, alleen in bepaalde delen van de hersenen vinden nog delingen plaats.
Cellen die hun delingsvermogen behouden en die zich blijven delen liggen vaak in
‘deelweefsels’ bij elkaar. Deelweefsels bij de mens zijn:
* Het rode beenmerg.
* De kiemlaag in je huid.
* De groeizones bij je botten.
* De kiemlaag in de darmwand.
* Oöcyten en spermatocyten in de geslachtsorganen.
Celdelingen dienen dus voor groei en voor vervanging van cellen op plaatsen waar veel
slijtage plaatsvindt. Bloedcellen worden aan de lopende band vervangen. Ook bij de vorming
van zaadcellen vinden veel delingen plaats.
, Eva Bardoul
BIOLOGIE
Bij bacteriën en eencelligen dient de
celdeling tegelijk voor de vermeerdering
van de soort.
Bij planten zijn de deelweefsels heel
duidelijk gelokaliseerd, namelijk in de
stengeltoppen, in blad- en bloemknoppen
en in de worteltoppen. Ze heten daar
meristemen.
Bomen en struiken hebben in hun stam
en takken een speciaal meristeem, dat de
diktegroei door houtvorming mogelijk
maakt: het cambium, dat tussen het hout
en de bast ligt.
3.2
De celdeling
Als een cel zich deelt, worden de onderdelen van een cel gelijkelijk over de twee
dochtercellen verdeeld. Mitochondriën en chloroplasten bij planten kunnen zich verdelen
over de twee dochtercellen, maar ook zelf delen om zich te vermeerderen: de membranen
(ER, lysosomen en golgi-systeem) doen dat ook en de vele ribosomen kunnen ook
gemakkelijk over de twee dochtercellen verdeeld worden.
Na de deling groeit de (gehalveerde) cel tot zijn specifieke omvang uit en worden de
organellen bijgemaakt en aangevuld.
Bij een organel gaat dat niet zo gemakkelijk, namelijk de celkern. Deze bevat de erfelijke
informatie voor de opbouw van de cel.
Deze informatie kun je niet zomaar verdelen over de twee dochtercellen. Alle informatie
moet naar beide dochtercellen.
De informatie om een cel op te bouwen en te laten werken ligt in lange draden DNA vast, als
letters en woorden in een zin.
Deze zijn zo dun ( 2nm) dat ze niet met de lichtmicroscoop kunnen waargenomen worden.
De DNA-draden moeten in de kern helemaal uiteen getrokken zijn om te kunnen
functioneren.
De informatie van het DNA is verspreid over de hele lengte van de draden en om de
informatie aan de twee dochtercellen door te geven, moeten de DNA-draden dus eerst in de
volle lengte opgesplitst worden.
Om dit te bereiken is een speciale deling van de kern nodig. Deze kerndeling gaat aan de
deling van de hele cel vooraf en heet de mitose. Tijdens deze deling worden de DNA-draden
opgerold en in een aantal pakketjes verpakt, zodat ze zonder scheuren over beide
dochtercellen verdeeld kunnen worden. Deze pakketjes worden chromosomen genoemd.
BIOLOGIE
Hoofdstuk 3
3.0
Celdeling, groei en ontwikkeling
In het begin bestaat een mens uit 1 cel, de zygote (bevruchte eicel). Dertig uur later zijn het
er twee, en zo verder. Na 3 dagen een bolletje, na 6 dagen nestelt dit bolletje zich en na 14
dagen begint het embryonale hartje te kloppen. Nu is het een embryo.
In dit hoofdstuk gaat het over celdeling, groei en ontwikkeling.
3.1
Vermeerdering van cellen
Cellen vermeerderen zich door deling. De bevruchte eicel deelt zich na 30 uur van de
bevruchting zich in tweeën.
Deze zijn half zo groot, omdat er geen plasmagroei optreedt (toename van de hoeveelheid
cytoplasma in een cel).
Omdat deze cellen steeds kleiner worden, noemen we deze delingen klievingsdelingen. Zo
gaat het door totdat de eicel is opgedeeld in cellen die de afmetingen van een lichaamscel
hebben. Je spreekt nu van het morula-stadium. Het lijkt dan op een framboos.
Vanaf dit stadium gaat de deling door tot de normale, gemiddelde grootte. Later gaan ze zich
specialiseren voor bijvoorbeeld spiercellen of zenuwcellen. Sommige cellen blijven je hele
leven delen. Sommige cellen verliezen hun delingsvermogen geheel, zoals spier of
zenuwcellen. Spiercellen groeien bij verwondingen weer aan elkaar, maar ze delen zich niet
opnieuw.
Ook bepaalde zenuwvezels kunnen weer aangroeien, maar voor zenuwcellen is dat
moeilijker, alleen in bepaalde delen van de hersenen vinden nog delingen plaats.
Cellen die hun delingsvermogen behouden en die zich blijven delen liggen vaak in
‘deelweefsels’ bij elkaar. Deelweefsels bij de mens zijn:
* Het rode beenmerg.
* De kiemlaag in je huid.
* De groeizones bij je botten.
* De kiemlaag in de darmwand.
* Oöcyten en spermatocyten in de geslachtsorganen.
Celdelingen dienen dus voor groei en voor vervanging van cellen op plaatsen waar veel
slijtage plaatsvindt. Bloedcellen worden aan de lopende band vervangen. Ook bij de vorming
van zaadcellen vinden veel delingen plaats.
, Eva Bardoul
BIOLOGIE
Bij bacteriën en eencelligen dient de
celdeling tegelijk voor de vermeerdering
van de soort.
Bij planten zijn de deelweefsels heel
duidelijk gelokaliseerd, namelijk in de
stengeltoppen, in blad- en bloemknoppen
en in de worteltoppen. Ze heten daar
meristemen.
Bomen en struiken hebben in hun stam
en takken een speciaal meristeem, dat de
diktegroei door houtvorming mogelijk
maakt: het cambium, dat tussen het hout
en de bast ligt.
3.2
De celdeling
Als een cel zich deelt, worden de onderdelen van een cel gelijkelijk over de twee
dochtercellen verdeeld. Mitochondriën en chloroplasten bij planten kunnen zich verdelen
over de twee dochtercellen, maar ook zelf delen om zich te vermeerderen: de membranen
(ER, lysosomen en golgi-systeem) doen dat ook en de vele ribosomen kunnen ook
gemakkelijk over de twee dochtercellen verdeeld worden.
Na de deling groeit de (gehalveerde) cel tot zijn specifieke omvang uit en worden de
organellen bijgemaakt en aangevuld.
Bij een organel gaat dat niet zo gemakkelijk, namelijk de celkern. Deze bevat de erfelijke
informatie voor de opbouw van de cel.
Deze informatie kun je niet zomaar verdelen over de twee dochtercellen. Alle informatie
moet naar beide dochtercellen.
De informatie om een cel op te bouwen en te laten werken ligt in lange draden DNA vast, als
letters en woorden in een zin.
Deze zijn zo dun ( 2nm) dat ze niet met de lichtmicroscoop kunnen waargenomen worden.
De DNA-draden moeten in de kern helemaal uiteen getrokken zijn om te kunnen
functioneren.
De informatie van het DNA is verspreid over de hele lengte van de draden en om de
informatie aan de twee dochtercellen door te geven, moeten de DNA-draden dus eerst in de
volle lengte opgesplitst worden.
Om dit te bereiken is een speciale deling van de kern nodig. Deze kerndeling gaat aan de
deling van de hele cel vooraf en heet de mitose. Tijdens deze deling worden de DNA-draden
opgerold en in een aantal pakketjes verpakt, zodat ze zonder scheuren over beide
dochtercellen verdeeld kunnen worden. Deze pakketjes worden chromosomen genoemd.