Pathologie Evelien Floor
Acute ontsteking
Acute ontsteking kan ontstaan door bijvoorbeeld
schade aan het weefsel of zuurstofgebrek. Hierbij
staat de innate immuunrespons centraal. Na enkele
dagen treedt een herstelrespons op. Blijft de prikkel
aanhouden dan kan een chronische ontsteking
ontstaan.
Exsudaat is een verzamelnaam voor alle factoren die
uit het bloed treden bij een acute ontsteking. Dit
komt in het ontsteken weefsel terecht en kan
bijvoorbeeld eiwitten, plasma, cytokines en
neutrofielen bevatten. Er zijn in dit exsudaat
verschillende types te onderscheiden.
Afhankelijk van de aard van de ontsteking kunnen de
stappen hiernaast variëren.
Gradaties acute pneumonie:
1. Normale long: heldere lucht houdende
alveoli met daartussen kleine capillairen.
2. Hyperemie (acute ontsteking): vasodilatatie
en hyperemie (veel felrode bloedcellen), ook
in de grote bloedvaten is hyperemie te zien,
de alveolaire septa zijn zichtbaar verdikt.
Alveoli zijn nog lucht houdend en alveolaire
macrofagen zijn aanwezig voor initiatie van
de acute ontsteking.
3. Exsudatieve pneumonie: long is niet meer functioneel/lucht houdend en volgelopen met
sereus exsudaat (geen cellen, eiwitten van o.a. bloedstolling en complement), hyperemie en
bloedingen zijn zichtbaar, alveolaire macrofagen zijn aanwezig.
4. Acute sereuze longontsteking: hyperemie en bloedingen zichtbaar, wanden van de alveoli
nog zichtbaar, het indikken van plasma-eiwitten is duidelijk te zien (80% albumine), dit komt
door het neerslaan van eiwitten op de wanden van de alveoli: hyaliene membraan. Hyaliene
membraan is een kenmerk voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid sereus
exsudaat.
5. Purulente longontsteking: neutrofielen betreden het weefsel, fibrinogeen is geactiveerd
waardoor fibrine draden gevormd worden, dit is tijdelijk om de ontsteking lokaal te houden.
De neutrofielen gaan dood tijdens het opruimen van bacteriën dit zorgt voor weefselschade
en pusvorming. Pusvorming is essentieel voor het aanzetten van het adaptieve
immuunrespons. Alveolaire wanden zijn op sommige plekken weg door weefselschade.
6. Purulente pneumonie (pusvormend, colliquatie necrose): pusvorming heeft de overhand,
normale weefsel niet meer zichtbaar, overal neutrofielen, veel bloedingen, necrose,
contouren van de alveoli zijn niet meer zichtbaar.
Andere soorten acute ontsteking:
Acute appendicitis: lumen blinde darm is gevuld met exsudaat. In de serosa, de buiten laag
van de blinde darm, liggen tussen het weefsel vele neutrofielen die duiden op een acute
ontsteking. Neutrofielen bevinden zich overal in het weefsel. GALT, mini lymfeklieren, zijn
aanwezig in de blinde darm. Het adaptieve immuunrespons wordt daar lokaal aangezet. Deze
ontsteking kan zich doorzetten naar het mesenterium (buikvlies). Ook hier zijn neutrofielen
1
, Pathologie Evelien Floor
aanwezig. Als dit te ver doorzet kan het uiteindelijk leiden tot sepsis wat gepaard gaat met
overlijden. Acute blinde darm ontsteking moet daarom meteen worden geopereerd.
Acute appendicitis met Oxyyoren (wormen): Acute appendicitis kan ook veroorzaakt worden
door een worminfectie, er zijn dan geen neutrofielen maar eosinofielen aanwezig. Deze zijn
te herkennen aan een oranje cytoplasma in plaats van roze.
Normaalgesproken bij een acute ontsteking duurt dit een paar dagen en komt het adaptieve
immuunrespons op gang. Tegelijkertijd vindt wondgenezing plaats.
Adaptieve immuunrespons
APCs zoals macrofagen en dendritische cellen pikken een antigen op in de periferie en presenteren
dit via MHC-moleculen op het oppervlak. Samen met het losse antigen gaan ze de lymfe in richting de
dichtstbijzijnde lymfeklier. Dit proces vindt al in het eerste uur van een acute ontsteking plaats. In de
lymfeklier vindt vervolgens T- en B-cel activatie plaats. De geproduceerde effectormoleculen zijn:
antistoffen, plasmacellen en T-cellen. Deze komen via de lymfe weer in de bloedbaan terecht en
migreren via adhesiemoleculen naar het gebied van ontsteking. Plasmacellen kunnen in de
bloedbaan blijven en antistoffen produceren. Antistoffen zijn eiwitten en kunnen door het weefsel
heen diffunderen.
T-cel activatie
In de lymfeklier komen APCs en antigenen binnen in de randsinus. Lymfeklier is een soort spons waar
de lymfe doorheen gaat, uiteindelijk stroomt de lymfe weer weg via het efferente lymfevat. Naïeve T-
cellen worden in de thymus geproduceerd en komen via de HEV de lymfeklier binnen. De naïeve T-
cel zoekt daar contact met een APC wat zorgt voor activatie. De T-helper cel verlaat de lymfeklier en
gaat op locatie met IFN en IL-2 macrofagen activeren (M1 macrofaag). De macrofagen worden nog
potentere killers door meer zuurstofradicalen en lysosomale enzymen. Daarnaast zijn T-helper cellen
nodig voor activatie van B-cellen in de lymfeklier wat zorgt voor antistof productie (plasmacel).
B-cel activatie
In het kiemcentrum van de follikel in de lymfklier vindt de B-cel reactie plaats. Aan de rand van de
follikels komen vanuit het beenmerg naïeve B-cellen binnen en gaan op zoek naar een T-helper cel.
Een B-cel heeft al een los antigen opgenomen en presenteert deze op MHC-II moleculen. Hiermee
bindt de B-cel aan de TCR van de T-helper cel. Vervolgens vindt co-stimulatie en cytokine afgifte
plaats waardoor de B-cel geactiveerd wordt. Een groot deel van de B-cellen wordt niet geactiveerd,
gaat in apoptose en worden opgenomen door macrofagen die in de lymfeklier aanwezig zijn. Dit zijn
hele grote cellen en omdat ze vol zitten met allerlei cel resten worden ze ook wel sterrenhemel
macrofagen genoemd.
De antistof affiniteit van de B-cel voor het antigen is per definitie niet hoog genoeg. Mutaties in de
ligand-bindende delen van antistoffen zorgen ervoor dat een hoger affiniteit antistof ontstaat
(somatische hypermutatie). Vervolgens moet er selectie komen van de B-cellen. Een folliculaire
dendritische cel speelt een rol in de selectie van hoge affiniteit B-cellen, deze presenteert intacte
(losse) antigenen. Een B-cel kan hier vervolgens aan binden en krijgt dan een signaal (cytokines) om
verder te gaan. De cellen die afvallen worden door de macrofagen verwerkt. Lage affiniteit B-cellen
zullen worden weg gecompeteerd door hoge affiniteit B-cellen. Zo blijven enkel de sterkste binders
over. Vervolgens komt er nog een check door een folliculaire T-helper cel. Daarna kan differentiatie
plaatsvinden tot plasmacel of memory cel.
Alle effectormoleculen/-cellen verlaten de lymfeklier via het efferente lymfevat en komen via de
ductus thoracicus weer in de bloedbaan terecht. Dit zorgt voor systemische immuniteit.
2
Acute ontsteking
Acute ontsteking kan ontstaan door bijvoorbeeld
schade aan het weefsel of zuurstofgebrek. Hierbij
staat de innate immuunrespons centraal. Na enkele
dagen treedt een herstelrespons op. Blijft de prikkel
aanhouden dan kan een chronische ontsteking
ontstaan.
Exsudaat is een verzamelnaam voor alle factoren die
uit het bloed treden bij een acute ontsteking. Dit
komt in het ontsteken weefsel terecht en kan
bijvoorbeeld eiwitten, plasma, cytokines en
neutrofielen bevatten. Er zijn in dit exsudaat
verschillende types te onderscheiden.
Afhankelijk van de aard van de ontsteking kunnen de
stappen hiernaast variëren.
Gradaties acute pneumonie:
1. Normale long: heldere lucht houdende
alveoli met daartussen kleine capillairen.
2. Hyperemie (acute ontsteking): vasodilatatie
en hyperemie (veel felrode bloedcellen), ook
in de grote bloedvaten is hyperemie te zien,
de alveolaire septa zijn zichtbaar verdikt.
Alveoli zijn nog lucht houdend en alveolaire
macrofagen zijn aanwezig voor initiatie van
de acute ontsteking.
3. Exsudatieve pneumonie: long is niet meer functioneel/lucht houdend en volgelopen met
sereus exsudaat (geen cellen, eiwitten van o.a. bloedstolling en complement), hyperemie en
bloedingen zijn zichtbaar, alveolaire macrofagen zijn aanwezig.
4. Acute sereuze longontsteking: hyperemie en bloedingen zichtbaar, wanden van de alveoli
nog zichtbaar, het indikken van plasma-eiwitten is duidelijk te zien (80% albumine), dit komt
door het neerslaan van eiwitten op de wanden van de alveoli: hyaliene membraan. Hyaliene
membraan is een kenmerk voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid sereus
exsudaat.
5. Purulente longontsteking: neutrofielen betreden het weefsel, fibrinogeen is geactiveerd
waardoor fibrine draden gevormd worden, dit is tijdelijk om de ontsteking lokaal te houden.
De neutrofielen gaan dood tijdens het opruimen van bacteriën dit zorgt voor weefselschade
en pusvorming. Pusvorming is essentieel voor het aanzetten van het adaptieve
immuunrespons. Alveolaire wanden zijn op sommige plekken weg door weefselschade.
6. Purulente pneumonie (pusvormend, colliquatie necrose): pusvorming heeft de overhand,
normale weefsel niet meer zichtbaar, overal neutrofielen, veel bloedingen, necrose,
contouren van de alveoli zijn niet meer zichtbaar.
Andere soorten acute ontsteking:
Acute appendicitis: lumen blinde darm is gevuld met exsudaat. In de serosa, de buiten laag
van de blinde darm, liggen tussen het weefsel vele neutrofielen die duiden op een acute
ontsteking. Neutrofielen bevinden zich overal in het weefsel. GALT, mini lymfeklieren, zijn
aanwezig in de blinde darm. Het adaptieve immuunrespons wordt daar lokaal aangezet. Deze
ontsteking kan zich doorzetten naar het mesenterium (buikvlies). Ook hier zijn neutrofielen
1
, Pathologie Evelien Floor
aanwezig. Als dit te ver doorzet kan het uiteindelijk leiden tot sepsis wat gepaard gaat met
overlijden. Acute blinde darm ontsteking moet daarom meteen worden geopereerd.
Acute appendicitis met Oxyyoren (wormen): Acute appendicitis kan ook veroorzaakt worden
door een worminfectie, er zijn dan geen neutrofielen maar eosinofielen aanwezig. Deze zijn
te herkennen aan een oranje cytoplasma in plaats van roze.
Normaalgesproken bij een acute ontsteking duurt dit een paar dagen en komt het adaptieve
immuunrespons op gang. Tegelijkertijd vindt wondgenezing plaats.
Adaptieve immuunrespons
APCs zoals macrofagen en dendritische cellen pikken een antigen op in de periferie en presenteren
dit via MHC-moleculen op het oppervlak. Samen met het losse antigen gaan ze de lymfe in richting de
dichtstbijzijnde lymfeklier. Dit proces vindt al in het eerste uur van een acute ontsteking plaats. In de
lymfeklier vindt vervolgens T- en B-cel activatie plaats. De geproduceerde effectormoleculen zijn:
antistoffen, plasmacellen en T-cellen. Deze komen via de lymfe weer in de bloedbaan terecht en
migreren via adhesiemoleculen naar het gebied van ontsteking. Plasmacellen kunnen in de
bloedbaan blijven en antistoffen produceren. Antistoffen zijn eiwitten en kunnen door het weefsel
heen diffunderen.
T-cel activatie
In de lymfeklier komen APCs en antigenen binnen in de randsinus. Lymfeklier is een soort spons waar
de lymfe doorheen gaat, uiteindelijk stroomt de lymfe weer weg via het efferente lymfevat. Naïeve T-
cellen worden in de thymus geproduceerd en komen via de HEV de lymfeklier binnen. De naïeve T-
cel zoekt daar contact met een APC wat zorgt voor activatie. De T-helper cel verlaat de lymfeklier en
gaat op locatie met IFN en IL-2 macrofagen activeren (M1 macrofaag). De macrofagen worden nog
potentere killers door meer zuurstofradicalen en lysosomale enzymen. Daarnaast zijn T-helper cellen
nodig voor activatie van B-cellen in de lymfeklier wat zorgt voor antistof productie (plasmacel).
B-cel activatie
In het kiemcentrum van de follikel in de lymfklier vindt de B-cel reactie plaats. Aan de rand van de
follikels komen vanuit het beenmerg naïeve B-cellen binnen en gaan op zoek naar een T-helper cel.
Een B-cel heeft al een los antigen opgenomen en presenteert deze op MHC-II moleculen. Hiermee
bindt de B-cel aan de TCR van de T-helper cel. Vervolgens vindt co-stimulatie en cytokine afgifte
plaats waardoor de B-cel geactiveerd wordt. Een groot deel van de B-cellen wordt niet geactiveerd,
gaat in apoptose en worden opgenomen door macrofagen die in de lymfeklier aanwezig zijn. Dit zijn
hele grote cellen en omdat ze vol zitten met allerlei cel resten worden ze ook wel sterrenhemel
macrofagen genoemd.
De antistof affiniteit van de B-cel voor het antigen is per definitie niet hoog genoeg. Mutaties in de
ligand-bindende delen van antistoffen zorgen ervoor dat een hoger affiniteit antistof ontstaat
(somatische hypermutatie). Vervolgens moet er selectie komen van de B-cellen. Een folliculaire
dendritische cel speelt een rol in de selectie van hoge affiniteit B-cellen, deze presenteert intacte
(losse) antigenen. Een B-cel kan hier vervolgens aan binden en krijgt dan een signaal (cytokines) om
verder te gaan. De cellen die afvallen worden door de macrofagen verwerkt. Lage affiniteit B-cellen
zullen worden weg gecompeteerd door hoge affiniteit B-cellen. Zo blijven enkel de sterkste binders
over. Vervolgens komt er nog een check door een folliculaire T-helper cel. Daarna kan differentiatie
plaatsvinden tot plasmacel of memory cel.
Alle effectormoleculen/-cellen verlaten de lymfeklier via het efferente lymfevat en komen via de
ductus thoracicus weer in de bloedbaan terecht. Dit zorgt voor systemische immuniteit.
2