Pathologie Evelien Floor
Overgevoeligheidsreacties
Overgevoeligheidsreacties zijn overbodige reacties van het immuunsysteem tegen onschuldige of
lichaamseigen antigenen. De meest voorkomende overgevoeligheidsreactie is allergie. Het
immuunsysteem moet in staat zijn om:
Onderscheid te maken tussen gevaarlijke en ongevaarlijke antigenen om allergieën te
voorkomen
Onderscheid te maken tussen zelf en niet-zelf antigenen om auto-immuniteit te voorkomen
Veroorzakers van overgevoeligheidsreacties zijn:
Infectieuze agentia
Omgevingsantigenen (pollen)
Auto-antigenen
Belangrijke immunologische spelers bij overgevoeligheidsreacties zijn: immunoglobulinen zoals IgE
en IgG, het complementsysteem en mestcellen, T-cellen, macrofagen en neutrofielen.
Overgevoeligheidsreactie kunnen geclassificeerd worden in vier verschillende groepen:
1. Type I draait om IgE dat bindt aan een mestcel waardoor degranulatie optreedt en een
allergische reactie ontstaat
2. Type II draait om IgG binding aan een cel of receptor, dit leidt tot lokale schade door activatie
van neutrofielen en complement
3. Type III draait om IgG als onderdeel van een te groot immuuncomplex, hierdoor kan het
neerslaan waardoor complement en neutrofielen worden geactiveerd
4. Type IV draait niet om antistoffen, het is een direct gevolg van T-cellen die schade aanrichten
met behulp van macrofagen
Bij patiënten met atopische dermatitis (eczeem) is het aantal CD3+ T-cellen in de epidermis
toegenomen. Hierdoor komt er lucht tussen de cellen waardoor de epidermis makkelijker
doorlaatbaar is voor infectieuze agentia. De barrièrefunctie van de huid wordt zo verbroken.
T-helper cellen
Er zijn drie verschillende soorten T-helper cellen: Th1, Th2 en Th17. Door het uitscheiden van
bepaalde cytokines sturen ze de afweer een bepaalde kant op. Th1 produceert IFN- wat leidt tot
macrofaag activatie en IgG productie. Th1 is betrokken bij de afweer tegen intracellulaire microben.
Th2 produceert IL-4, IL-5 en IL-13 wat leidt tot IgE productie en activatie van mestcellen en
eosinofielen. Th2 is betrokken bij de afweer tegen helminth parasieten. Th17 produceert IL-17 en IL-
22 wat leidt tot aantrekking van neutrofielen en monocyten. Th17 is betrokken bij de afweer tegen
extracellulaire bacteriën en schimmels.
1
, Pathologie Evelien Floor
Naïeve T-cellen worden gestimuleerd door dendritische cellen tot de differentiatie tot Th1 of Th2. Als
eenmaal Th1 wordt gemaakt dan zal er positieve feedback naar de dendritische cel optreden
waardoor meer Th1 gevormd wordt. Daarnaast is er negatieve feedback die de productie van Th2
remt. Een balans tussen Th1 en Th2 is dus essentieel. Zodra deze verstoord wordt kunnen er
overgevoeligheidsreacties optreden. De regulatoire T-cellen behouden deze balans.
Deze typen T-cellen kunnen bij een te grote hoeveelheid leiden tot overgevoeligheidsreacties. Een te
veel aan Th1 geeft type I diabetes. Een te veel aan Th2 geeft allergieën. Een te veel aan regulatoire T-
cellen geeft IPEX syndroom. Tot slot geeft een te veel aan Th17 reumatoïde artritis, IBD, psoriasis en
MS.
Humorale immuniteit
Humorale immuniteit ontstaat door de productie van antistoffen. Plasmacellen zorgen voor de
productie van verschillende typen antistoffen. Vervolgens hebben deze antistoffen verschillende
effectormechanismen:
2
Overgevoeligheidsreacties
Overgevoeligheidsreacties zijn overbodige reacties van het immuunsysteem tegen onschuldige of
lichaamseigen antigenen. De meest voorkomende overgevoeligheidsreactie is allergie. Het
immuunsysteem moet in staat zijn om:
Onderscheid te maken tussen gevaarlijke en ongevaarlijke antigenen om allergieën te
voorkomen
Onderscheid te maken tussen zelf en niet-zelf antigenen om auto-immuniteit te voorkomen
Veroorzakers van overgevoeligheidsreacties zijn:
Infectieuze agentia
Omgevingsantigenen (pollen)
Auto-antigenen
Belangrijke immunologische spelers bij overgevoeligheidsreacties zijn: immunoglobulinen zoals IgE
en IgG, het complementsysteem en mestcellen, T-cellen, macrofagen en neutrofielen.
Overgevoeligheidsreactie kunnen geclassificeerd worden in vier verschillende groepen:
1. Type I draait om IgE dat bindt aan een mestcel waardoor degranulatie optreedt en een
allergische reactie ontstaat
2. Type II draait om IgG binding aan een cel of receptor, dit leidt tot lokale schade door activatie
van neutrofielen en complement
3. Type III draait om IgG als onderdeel van een te groot immuuncomplex, hierdoor kan het
neerslaan waardoor complement en neutrofielen worden geactiveerd
4. Type IV draait niet om antistoffen, het is een direct gevolg van T-cellen die schade aanrichten
met behulp van macrofagen
Bij patiënten met atopische dermatitis (eczeem) is het aantal CD3+ T-cellen in de epidermis
toegenomen. Hierdoor komt er lucht tussen de cellen waardoor de epidermis makkelijker
doorlaatbaar is voor infectieuze agentia. De barrièrefunctie van de huid wordt zo verbroken.
T-helper cellen
Er zijn drie verschillende soorten T-helper cellen: Th1, Th2 en Th17. Door het uitscheiden van
bepaalde cytokines sturen ze de afweer een bepaalde kant op. Th1 produceert IFN- wat leidt tot
macrofaag activatie en IgG productie. Th1 is betrokken bij de afweer tegen intracellulaire microben.
Th2 produceert IL-4, IL-5 en IL-13 wat leidt tot IgE productie en activatie van mestcellen en
eosinofielen. Th2 is betrokken bij de afweer tegen helminth parasieten. Th17 produceert IL-17 en IL-
22 wat leidt tot aantrekking van neutrofielen en monocyten. Th17 is betrokken bij de afweer tegen
extracellulaire bacteriën en schimmels.
1
, Pathologie Evelien Floor
Naïeve T-cellen worden gestimuleerd door dendritische cellen tot de differentiatie tot Th1 of Th2. Als
eenmaal Th1 wordt gemaakt dan zal er positieve feedback naar de dendritische cel optreden
waardoor meer Th1 gevormd wordt. Daarnaast is er negatieve feedback die de productie van Th2
remt. Een balans tussen Th1 en Th2 is dus essentieel. Zodra deze verstoord wordt kunnen er
overgevoeligheidsreacties optreden. De regulatoire T-cellen behouden deze balans.
Deze typen T-cellen kunnen bij een te grote hoeveelheid leiden tot overgevoeligheidsreacties. Een te
veel aan Th1 geeft type I diabetes. Een te veel aan Th2 geeft allergieën. Een te veel aan regulatoire T-
cellen geeft IPEX syndroom. Tot slot geeft een te veel aan Th17 reumatoïde artritis, IBD, psoriasis en
MS.
Humorale immuniteit
Humorale immuniteit ontstaat door de productie van antistoffen. Plasmacellen zorgen voor de
productie van verschillende typen antistoffen. Vervolgens hebben deze antistoffen verschillende
effectormechanismen:
2