1) Wat zijn de verschillende rollen die DNA en RNA spelen? Wat zijn de moleculaire verschillen?
Hoe werkt een RNA vaccin?
De volgorde van de baseparen in DNA bevat de code voor de synthese van eiwitten. Vanaf dubbelstreng
DNA wordt een enkelstreng RNA kopie gemaakt die de informatie vanuit de celkern naar de
eiwitproductie plaats (ribosoom) brengt. Hier wordt het mRNA gebruikt als matrijs voor de synthese.
Andere vormen van RNA (tRNA) brengen de aminozuren naar de matrijs en zorgen dat ze in de juiste
volgorde aan elkaar gekoppeld worden.
RNA is enkelstrengs en heeft een extra OH op de 2’positie van de ribose suiker en heeft i.p.v. thymine de
base uracil.
In een vaccin wordt meestal een eiwit toegediend (of een heel verzwakt pathogeen). Het
immuunsysteem reageert erop en zorgt voor immuniteit. In een RNA vaccin wordt RNA toegediend dat
op zo’n manier is verpakt dat het door de menselijke cellen kan worden gebruikt om het eiwit te
synthetiseren. Dat eiwit zorgt vervolgens voor de immuniteit. Dit principe werd voor het eerst op grote
schaal toegepast in het vaccin tegen SARS-CoV-2.
2) Een gen ondergaat een mutatie, maar deze blijkt geen effect op de structuur van het eiwit te
hebben waarvoor het codeert. Kan dat?
Hierop zijn twee antwoorden mogelijk. Ten eerste kan het een ‘silent’ mutatie zijn, die niet leidt tot de
inbouw van een ander aminozuur. Bijvoorbeeld de codons UCU en UCC coderen beide voor serine, dus
het vervangen van de twee U van de codon voor een C heeft geen gevolgen.
Daarnaast kan het zo zijn dat een aminozuur wel wordt vervangen door de mutatie, maar dat dit geen
gevolgen heeft voor de structuur. Als je bijvoorbeeld een serine vervangt door de iets kleinere alanine,
dan paste deze prima en blijft vaak de secundaire en tertiaire structuur gelijk.