Tumor
Tumor = Zwelling.
Tumor wordt in de kliniek vaak gebruikt als synoniem voor kanker (= maligne
neoplastische zwelling). De betekenis van tumor hangt af van de context.
Carcinogenese
1. Normaal weefsel.
2. Gecontroleerde kwalitatieve groeistoornis.
• Metaplasie.
• Dysplasie.
3. Ongecontroleerde groeistoornis.
• Carcinoma in situ.
• Carcinoom (= een ongecontroleerde, autonome,
invasievegroeistoornis die irreversibel is).
Gecontroleerde groeistoornissen
Kwantitatieve groeistoornis
Er zijn twee typen kwantitatieve groeistoornissen:
• Afname van weefsel.
• Atrofie = Afname in celgrootte en celaantal (en dus orgaan).
• Toename van weefsel.
• Hypertrofie = Toename in grootte/omvang van de cel (en dus orgaan).
Kenmerkend voor hypertrofie is een toename van het cytoplasma.
• Fysiologische hypertrofie:
• Hormonale stimulatie.
VB: Een zwangerschap leidt tot hypertrofie van baarmoedercellen.
• Verhoogde vraag.
VB: Het trainen van de spieren leidt tot hypertrofie van spiercellen.
• Pathologische hypertrofie:
• Verhoogde vraag.
VB: Hypertensie kan leiden tot hypertrofie van hartspiercellen/myocieten.
• Hyperplasie = Toename van het aantal cellen.
• Fysiologische hyperplasie:
• Hormonen.
VB: Hormonen in de puberteit of bij zwangerschap zorgen voor hyperplasie
van borstklieren.
• Compensatoir.
VB: Het verwijderen van een deel van de lever leidt tot hyperplasie van de
lever (regeneratie).
• Pathologische hyperplasie:
• Hormonen en groeifactoren.
VB: Androgenen zorgen voor hyperplasie van de prostaat.
• Virusinfecties.
VB: Het humaan papillomavirus zorgt voor hyperplasie, waardoor wratten
ontstaan.
• Combinatie van hypertrofie en hyperplasie.
1
, Kwalitatieve groeistoornis
Er zijn twee typen kwalitatieve groeistoornissen:
• Metaplasie = Een compensatiemechanisme waarbij een reeds gedifferentieerd celtype wordt
vervangen door een ander celtype om beter tegen de blootgestelde omstandigheden te kunnen.
• Dysplasie = Abnormale differentiatie, waardoor het weefsel ordeloos wordt.
Metaplasie
De oorzaak van metaplasie is chronische irritatie. Metaplasie is reversibel. Het nieuwe celtype is goed
gedifferentieerd.
Er bestaan twee vormen van metaplasie:
• Squameuze metaplasie.
Cilindrisch epitheel wordt omgezet in plaveiselepitheel. De oorzaak hiervan is chronische irritatie
van het respiratoir epitheel t.g.v. roken.
• Intestinale metaplasie.
Meerlagig plaveiselepitheel wordt omgezet in cilindrisch epitheel (met slijmbekercellen). De
oorzaak hiervan is chronische irritatie van de slokdarm t.g.v. maagzuurreflux (Barrett oesofagitis).
Dysplasie
Indien weefsel blootgesteld blijft aan chronische irritatie, kan metaplasie omgezet worden in dysplasie.
Kenmerken van dysplasie zijn:
• Verlies van uniformiteit van individuele cellen in een weefsel.
Cellen zien er anders uit t.o.v. elkaar t.g.v. genetische afwijkingen. Cellen zien er afwijkend uit.
• Uitrijpingsstoornis.
Het weefsel is minder goed gedifferentieerd.
• Verlies van weefselarchitectuur.
• Vaak meer celdelingen dan normaal.
• Kenmerken van anaplasie (= verlies van differentiatie).
• De ‘opmaat’ naar tumorvorming.
Dysplasie kan gegradeerd worden in drie
groepen:
• Gering.
• Matig.
• Ernstig. → Carcinoma in situ (=
voorstadium van een carcinoom).
Ernstige dysplasie wordt microscopisch
gekenmerkt door veel atypie:
• Lelijke cellen.
• Er is weinig cytoplasma aanwezig in cellen.
• De cellen hebben grote celkernen.
• Er vindt weinig differentiatie van cellen plaats.
• Er vindt veel proliferatie van cellen plaats.
Geringe en matige dysplasie is nog reversibel zijn. Dit betekent dat als de prikkel wegvalt, het weefsel kan
herstellen. De cellen die dysplasie hebben ondergaan kunnen niet meer herstellen, maar de
onderliggende, basale cellen kunnen het beschadigde weefsel vervangen. Bij ernstige dysplasie is herstel
2