Onderzoek naar wat er in onze hersenen zit dat het taalverwervingsproces mogelijk maakt
en stuurt.
Plato’s probleem
Taalkundige Noam Chomsky (1928) omschreef de centrale onderzoeksvraag van de
generatieve taalkunde als Plato’s probleem. De slaaf die wiskundige vraagstukken oploste
zonder voorkennis. Hoe komt het dat mensen beschikken over informatie, kennis, zonder
dat ze die uit directe waarneming kunnen opdoen. En zonder dat iemand hun die kennis
expliciet verstrekt? Geldt ook voor kennis van een moedertaal. Mensen beschikken over
kennis van hun moedertaal, maar deze kennis is niet (naar hypothese):
● aangeboren: geen genetische gedetermineerdheid.
● aangeleerd: passen regels toe zonder ervan bewust te zijn of bewust geleerd.
● afgesproken: over sommige regels zijn nooit afspraken gemaakt maar men weet het.
Innateness Hypothesis
Volgens Chomsky is er bij de mens sprake van een aangeboren taalkennis, dat als
blauwdruk van iemands moedertaal kan worden beschouwd. De Innateness hypothese stelt
dat mensen voorgeprogrammeerd zijn (bezit van taalorgaan/kennis van taal) om taal te
leren.
Argumenten voor:
1. Het taalverwervingsproces is spontaan.
Instructie, correctie en imitatie speelt geen of nauwelijks een rol.
2. Het taalverwervingsproces is homogeen.
Ongeacht achtergrond verloopt het proces door dezelfde stadia in hetzelfde tempo.
3. Het taalverwervingsproces is altijd succesvol (gaat over het regelsysteem van taal).
Tenzij sprake van stoornis, aandoening of ziekte.
4. Bepaalde taalstoornissen zijn erfelijk.
Dus ondersteunt het idee van een ‘taalorgaan’.
5. De menselijke taal heeft een kritische periode.
Van 2 tot puberteit is de periode en voor 2 jaar moet kind aan taal blootgesteld zijn.
6. De menselijke taal is een soortspecifieke eigenschap.
Taal valt niet te leren aan apen - wijst op aanwezigheid taalorgaan mens.
7. Het taalaanbod is armoedig.
Er wordt fout gesproken tegen een kind en korte zinnen gemaakt, toch goed leren.
8. Het taalvermogen staat los van algemene cognitieve vermogens.
Bij aandoeningen kan het één of het ander wegvallen.
9. Achter taalvariatie gaan algemene principes schuil.
Argumenten tegen:
1. Hersencapaciteit neemt af kan ook een argument zijn dat dat de kritische periode is.
2. Mensspecifieke eigenschap: apen lagere intelligentie, daarom niet praten.
3. Aanbod niet armoedig: juist goed gedoseerd richting kinderen in kleine zinnen.
4. Down syndroom = minder talig / vanzelfsprekend lager IQ bij slechte taalverwerving
5. Hoe abstracter je wordt over taal, hoe meer algemene principes je ziet.
Universele Grammatica - 1928 (UG)* volgens de opvatting van Innateness hypothese
,Vraagstuk generatieve taalkunde: Hoe ziet die aangeboren kennis van taal eruit?
Onderzoeksstrategie tweeledig:
1. Volwassen sprekers worden om welgevormdheid oordelen gevraagd.
2. In meerdere talen uitvragen (kan niet gebaseerd zijn op 1 taal) voor alle parameters.
Aanname is het aangeboren taalsysteem van alle talen in de wereld is hetzelfde. De regels
die voor alle talen in de wereld gelden (principes), en de keuzemogelijkheden die voor
variatie tussen talen zorgen (parameters). Bekend als de principe- en parametertheorie.
Beginstadium: geboren met UG (voorgeprogrammeerde software in hersenen met kennis
van taalsystemen). Alle parameters open maar op basis van positieve evidentie (expliciet
horen, zien, leren) parameters aanpassen. Eindstadium: kennis die volwassenen van hun
moedertaal hebben.
Competence hier de focus op in taalkunde:
Abstracte en grotendeels onbewuste kennis van een taalsysteem die een gebruiker heeft
om een talige uiting te kunnen begrijpen en produceren.
Performance
Het feitelijke gebruiken (begrijpen en produceren) van bovenstaande kennis. Is iets
beperkter door goed moeten kunnen uitvoeren ervan.
Wisselwerking tussen competence en performance. Door het taalgebruik (performance)
leren we voortdurend nieuwe woorden of verandert onze kennis van bekende woorden
(competence). Kennis is opgeslagen in het mentale lexicon (draden en knopen voor
netwerk van kennis) en wordt voortdurend geprikkeld of geactiveerd voor kennis tijdens het
lezen, spreken of schrijven.
Generatieve taalkunde - soorten onderzoeken
- Beschrijvende taalkunde
Juiste beschrijving van één bepaalde taal op allerlei aspecten.
- Historisch-vergelijkende taalkunde
Bestuderen de verwantschappen die er tussen talen bestaan, hoe talen door de
geschiedenis veranderen en welke factoren die verandering bepalen.
- Algemeen, verklarend-theoretische taalkunde (generatieve taalkunde)
Bestuderen het fenomeen taal in het algemeen. Ze willen weten hoe talen in elkaar
zitten, waarom en waarom niet anders.
Generatieve taalkunde ook wel generatieve grammatica, chomskyaanse taalkunde of
transformationeel-generatieve grammatica gaat uit van:
- De Innateness hypothese.
- Beschrijving UG is een verschijnsel dat zich voordoet in het menselijke brein.
- Beschrijving moet binnen het principes-en-parameterskader passen.
- Streven grote precisie na in de beschrijving van grammaticale verschijnselen.
- Omschrijving taalsysteem moet expliciet zijn, geen vaagheden.
,Kritiek op Chomsky’s generatieve taalkunde:
● Sommige talen zijn meer geanalyseerd dan anderen door aanpak
grammaticaliteitsoordelen. Daarom alternatieven theorieën gebaseerd op meer talen.
Weerlegging generatieve taalkundige door middel van principes-en-
parametersbenadering. UG is in elke taal leesbaar.
● Teveel nadruk op formele, mathematische aspect.
● Weerleggen van onderzoeken in Chomsky’s theorie in nieuwere onderzoeken.
Optimaliteitstheorie tegenhanger van Chomsky’s theorie van Prince en Smolensky.
Theorie stelt dat de regels niet zo streng zijn als die van de UG. Daarmee bedoelden zij dat
je deze regels in sommige gevallen mag overtreden, namelijk als ze in conflict komen met
andere taalregels. Daarbij kunnen woorden en zinnen misschien niet perfect gehoorzamen
aan alle taalregels, maar wel zo optimaal mogelijk. Hoewel de taalregels wellicht gelden voor
alle talen, zijn ze niet in alle talen even sterk. Daardoor verschillen talen in de manier waarop
woorden en zinnen worden gevormd. Regels verschillen in sterkte per taal. Daarvoor
onderlinge verschillen van formulering in taal.
Blijkbaar verschillen regels in sterkte. De optimaliteitstheorie hanteert dan ook sterkere en
minder sterke regels. Als er 2 strijdige regels van toepassing zijn, wint de sterke het van de
zwakke. De beste zin is de zin die zo weinig mogelijk regels schendt, en als er een regel
geschonden moet worden, dan de zwakste. Dit principe, waarbij je tot de ‘beste’ volzin komt
door de regels tegen elkaar af te wegen, heet optimalisatie. Belangrijkste theorie in de
fonologie.
Scheermes van Occam in de wetenschap: de vuistregel die stelt dat van 2 theorieën die de
feiten even goed verklaren, de eenvoudigste theorie de voorkeur geniet.
TAALVERWERVING EN TWEETALIGHEID
Hoe leren kinderen taal?
Visie 1: Taal staat centraal
Vroegere aanname dat taalverwerving vooral ging om benoemen, herhalen en uitbreiden
samen met ouders. Dus ook lang gedacht dat het vooral zat in imiteren.
Visie 2: Kind staat centraal
Chomsky gaat er vanuit dat een jong kind wel over een aangeboren taalvermogen moet
beschikken. Gaat om de UG samen met de principes-en-parameterstheorie. Kinderen
toetsen hypotheses in de praktijk adhv aannames. (Grammaticale) fouten horen bij het
taalverwervingsproces.
Visie 3: Zowel aangeboren taalvermogen als taalomgeving van kind wordt als belangrijk
gezien. Gaat om taalaanbod (motor) richting kind en interactie met anderen (benzine die
het draaiende houdt). Ook leert het al snel het beurtgedrag (niet mogelijk om door elkaar te
praten in communicatie).
Taalaanbod wordt op het kind afgestemd, gaat om:
1. Korte zinnen.
, 2. Weglating van woorden.
3. Aangepaste woordkeuze.
4. Veel herhalingen.
5. Langzamer spreektempo.
6. Hogere toon bij het spreken.
7. Overdreven nadruk op bepaalde woorden.
Volgorde eerste taalverwerving - mondeling
0-1 jaar: voortalige periode
● Geen woorden maar wel vormen communicatie.
● Vanaf 8 maanden brabbelen (herhalen van klanken gagaga zonder betekenis)
1-2,5 jaar: vroegtalige periode
● Eerste woordjes tot kleine zinnen met belangrijkste woorden (betekenis!)
● Sprake van weglatingen van bv. lidwoorden en koppelwerkwoorden.
● Ook vervanging van klankwoorden (hoot is rood).
● Gebruik woorden in veel ruimere betekenis (alle mannen oom) overextensie.
2,5-5 jaar: differentiatiefase
● Langere zinnen
● Meer woordsoorten
● vervoeging werkwoorden en verbuiging andere woorden (meervoud etc).
● overgeneralisatie: ontwikkelingsfouten - grammaticale regel wordt toegepast waar
het niet hoort (eette, verkeerde lidwoorden, verkeerde meervoudsvormen).
vanaf 5 jaar: voltooiingsfase
● Basis van moedertaal is er.
● Soms nog klanken of onregelmatige vormen verkeerd.
● Deze fase houdt nooit op omdat we er nog altijd nieuwe woorden bijleren.
Taal- en spraakontwikkelingsstoornis: ontwikkeling loopt achter tot 5 jaar.
Taalontwikkelingsstoornis (verwerving taalsystematiek) kan liggen in: cognitieve stoornis,
slechthorende kinderen, neurologisch, sociaal-emotioneel, geen duidelijke aanleiding:
primaire taalstoornis of SLI. 8% van kinderen onder 4 jaar.
Taalverwervingsfactoren
Vreemdetaalverwerving: vreemde taal leren op een plek waar de taal niet als omgangstaal
wordt gesproken. En Tweede-taalverwerving: Leren van de doeltaal op een plek waar de
taal gesproken wordt. Factoren die tweede taalverwerving beïnvloeden:
1. Moedertaal
Vaak grammaticale regels/volgordes die worden overgenomen uit moedertaal.
2. Leeftijd
Kennis en ervaring kunnen helpen, maar kritische periode is vaak voorbij. Niet bekend of
kritische periode ook geldt voor tweede taalwerving. Kinderen altijd succesvoller, minder
accent. Tussen 10-12 jaar beste: jong genoeg om eigen te maken + ontwikkelde
intelligentie.
3. Contact met de doeltaal