Casus 1: Therapietrouw
Wat is het?
[Smets, Pasma, Rich] Therapietrouw = in hoeverre gedrag van patiënt overeenkomt met het medische of
gezondheidsadvies. Niet alleen medicatie, ook over gedrag (eten, vervolgconsulten, verwijzingen,
levensstijlveranderingen). Kan opzettelijk/onopzettelijk.
[Pasma] Bij reuma gaat het om 80% of meer van de voorgeschreven medicatie nemen.
Wat is de grootte?
[Smets] Grootte: ontrouw algemeen 15-90%. Gemiddeld 30%, 50% bij complexe medicatie of bij chronische
ziekte.
[Pasma] Trouw aan medicatie bij reuma tussen 30-99%. Review: 49.5-98.5% (laagste en hoogste gemeten met
interview). Door MEMS was het 91.5% na 4 weken, vragenlijsten rates tussen 67-91.1%.
Welke factoren spelen mee?
[Smets] Vroeger oorzaak vooral bij patiënt, nu breder. Medische adviezen in strijd met belangen.
* Deze factoren hieronder zijn uit 1982 behoud een kritische blik.
Samenwerkingsrelatie. Therapietrouw onderdeel ‘self-management’: patiënt aan roer.
Compliantie = of advies wordt opgevolgd.
Therapietrouw/adherence = Gedrag correspondentie met advies.
Concordantie = proces van overeenstemming over gezondheidsgedrag. Eigen bijdrage belangrijk.
Goede samenwerking = collaborative care, is vereist voor therapietrouw. Samen beslissen.
Kenmerken van ziekte en behandeling: hoe minder je merkt van de aandoening, hoe minder de therapietrouw
(hoge bloeddruk). Ook lager bij veel medicatie, complexe dosering, lastig te implementeren in dagelijks leven,
vervelende bijwerkingen. Ook duur: hoe langer, hoe minder goed vol te houden (VB: chronische ziekten kei
laag).
[Pasma] medicatie karakteristieken.
Sociaaldemografisch: geen verband met geslacht/leeftijd/opleiding/anders; ligt aan situatie. VB: ouderen,
komt door lange/complexe medicatie.
Motivatie: Motivatie om aan aanbeveling arts te houden is afhankelijk van eigen zoek- en beslissingsproces.
Motivatie is goede voorspeller gezond gedrag, is echter niet genoeg, moeten ook daden komen.
Cognities/Percepties: Mensen hebben eigen theorie/opvatting/cognities over aandoening (naam, klacht,
oorzaak, gevolgen, tijd, behandeling). Dit kan anders zijn dan wat echt waar is. Persoonlijke opvattingen dragen
bij aan motivatie, en dus aan therapietrouw.
Ook opvattingen over medicatie, 3 thema’s: noodzaak van medicatie voor gezondheid, zorgen over
bijwerkingen, hoe artsen met medicatie omgaan. Noodzaak bepaalt door uitkomstverwachting (of het allemaal
echt gaat werken). Balans tussen noodzaak en zorgen is goede voorspeller trouw (meer zorgen = ontrouw).
Sociale invloeden: medicatie kan stigmatiserend werken, niet als patiënt willen worden gezien. Belangrijke
personen kunnen goede + slechte invloed hebben.
Eigen effectiviteit: Of patiënt denkt of hij het wel kan of niet. Als vergelijkbare anderen het ook kunnen werkt
dat ook goed. Zelfvertrouwen zorgt wel alleen voor gedragsverandering als ziekte- en
behandelingsgerelateerde cognities ook in de juiste richting staan.
Reactie op stress: Copingstijl heeft invloed. VB: stress ontregelt regulatie diabetes.
Depressie komt veel voor bij diabetes mellitus; 10-20% therapieontrouw.
Artskenmerken: therapietrouw beter als arts uitgaat van goede samenwerkingsrelatie. Deskundigheid niet
genoeg, moet ook betrokken en begripvol zijn. Nadeel: collaborative care kan medisch suboptimaal zijn.
[Pasma]
Socio-economische en demografische factoren.
Gebruik van DMARD’s: Gebruik van DMARDs’ 6 maanden voor het gebruik hangt samen met trouw aan anti-
TNF behandeling. Mensen die falen voor eerste therapie voelen urgentie voor het gebruik van anti-TNF.
Overtuiging dat medicatie noodzakelijk is.
Relatie tussen patient en zorgverlener: goede communicatie zorgt voor therapietrouw.
GEEN bewijs voor associatie met therapietrouw: Kan zijn door echte afwezigheid van relatie of heterogeniteit.