De schildklier
De schildklier of thyroïd is een vlindervormig
orgaan dat behoort tot het endocriene
systeem. De schildklier bestaat uit 2 lobben
aan weerszijden van het strottenhoofd, die
met elkaar verbonden zijn met een dunnere
‘overloop’.
De schildklier ligt ter hoogte van de voorzijde
van het strottenhoofd in de hals, net onder
de adamsappel. De schildklier is een van de
grootste endocriene organen in het lichaam,
meet ongeveer 5 op 2 cm en weegt bij een
volwassene ongeveer 20 gram. Een volume
van circa 15 ml wordt gevonden.
Het is een zeer sterk doorbloed orgaan dat
bestaat uit 2 kwabben. De kwabben zijn
opgebouwd uit follikels (celophopingen) waartussen zogenaamde C-cellen liggen. De follikels
staan in voor de afscheiding van de thyroïdhormonen thyroxine (T4) en het nauw ermee
verwante T3 (tri-jodothyronine). De C-cellen maken het hormoon calcitonine aan.
Tegen de schildklier liggen de bijschildklieren of parathyroïden. Dit zijn 4 aparte orgaantjes
die ook tot het endocriene systeem behoren. De bijschildklieren produceren het
parathyroïdhormoon (PTH).
De schildklier is een levensnoodzakelijk
orgaan, zonder de schildklier en de
hormonen die ze afscheidt kunnen we
niet leven.
De afscheiding van de
schildklierhormonen wordt geregeld
door verschillende factoren. De
belangrijkste factor komt van de
hypothalamus, een zone in de
hersenen die een belangrijke rol speelt
bij de regeling van de homeostase, het
in evenwicht houden van de
lichaamsstoffen.
Indien er nood is aan meer
schildklierhormoon zal de
hypothalamus het hormoon TRH (TSH-
releasing hormone) afscheiden.
Onder invloed van dit TRH zal de
hypofyse (een klein orgaantje dat onderaan de hersenen hangt) het hormoon TSH (thyroïd
stimulerend hormoon) afscheiden. TSH heeft een rechtstreekse invloed op de schildklier.
De schildklier zal beginnen met het aanmaken van meer thyroïd hormoon (T3 en T4) indien
het merkt dat er een verhoogde concentratie van TSH in het bloed is.
,T3 en T4 hebben een terugkoppelend remmend effect op de uitscheiding van TRH door de
hypothalamus.
De follikelcellen maken schildklierhormonen aan uit de stof tyronine en jodium. De
schildklier heeft voor de synthese van schildklierhormoon jodium nodig. Jodide wordt door
de darm vrijwel volledig geresorbeerd. De schildklier is in staat tot actieve
jodiumconcentratie (trapping). Voor de synthese van schildklierhormoon is per dag
omstreeks 60 mcg jodide nodig. Bij afbraak van schildklierhormoon komt omstreeks 50 mcg
weer als vrij jodide in de bloedbaan terecht; de rest gaat met de feces verloren.
Hoewel de schildklier ook in beperkte mate T3 uitscheidt in de bloedbaan, zal het vooral T4 of
thyroxine uitscheiden. In de weefsels van het lichaam wordt het T4 (thyroxine) omgezet in
het meer actieve T3.
De schildklierhormonen T3 en T4 zetten cellen ertoe aan om meer energie te verbruiken en
om meer eiwitten aan te maken. T3 en T4 verhogen de hartslag en de warmteproductie.
Schildklierhormonen hebben dus een invloed op het metabolisme.
Bij de foetus hebben de schildklierhormonen T3 en T4 een cruciale rol in de ontwikkeling van
de hersenen.
Het schildklierhormoon calcitonine wordt geproduceerd door de C-cellen van de schildklier
en heeft een belangrijke functie in het calciummetabolisme.
Calcitonine verlaagt het calciumgehalte in het bloed door:
• De botafbraak in de beenderen te remmen
• De calciumopname uit de darmen te verlagen
• De calciumuitscheiding door de nieren te verhogen
Calcitonine activeert ook vitamine D dat eveneens een gunstige invloed heeft op het
verlagen van het bloed calcium niveau.
Parathormoon wordt niet door de schildklier gemaakt, maar door de bijschildklier. Dit
hormoon staat in voor de calcium- en fosfaathuishouding in het lichaam.
Zowel anatomisch als functioneel ondergaat de schildklier in de zwangerschap grote
veranderingen. De grootte van de schildklier neemt in volume toe tijdens de zwangerschap.
De schildklierfunctietests veranderen vrijwel allemaal tijdens de zwangerschap. Dit is een
gevolg van:
• Stijging van de concentratie TBG, het transporteiwit voor schildklierhormoon
• Een relatieve afname in de beschikbaarheid van jodium door gestegen nierklaring en
verlies naar de foetus en de placenta
• Overstimulatie van de schildklier door andere hormonen zoals hCG, dat veel
gelijkenis vertoont met TSH
De schildklierfunctie verandert in de zwangerschap niet, de vrouw blijft euthyreoot en de
veranderingen in de hypothalamus-hypofyse-schildklieras zijn klein (de hypofyse wordt twee
keer zo groot). Wel verandert in de zwangerschap een aantal schildkliergerelateerde
laboratoriumwaarden:
Hormonen Veranderingen
T4 Neemt toe
TBG Neemt toe
, TSH Verandert niet
FT4 Verandert niet
De TBG-productie in de lever neemt toe, onder invloed van de placentaire
oestrogeenproductie. De schildklier compenseert daarvoor door de totale T4-productie op te
voeren zodat het werkzame FT4 constant blijft. De schildklier neemt daarbij circa 13% in
grootte toe.
Het zwangerschapshormoon hCG bindt ook aan de TSH-receptor in de schildklier en
versterkt daarmee de afgifte van T4. Daarom kan bij excessieve hCG-productie, zoals bij een
mola-zwangerschap, hyperthyreoïdie ontstaan.
Bijzonder is de relatie tussen de foetale en maternale schildklier. De foetale schildklier
begint namelijk pas vanaf 12 weken zwangerschapsduur zelf schildklierhormoon aan te
maken (thyroxine). Tot die tijd is de foetus afhankelijk van de aanvoer van
schildklierhormonen van de moeder (FT4). Vanaf een zwangerschapsduur van 25 weken kan
de foetale schildklier het zelf. Met name voor de ontwikkeling van de foetale hersenen zijn
schildklierhormonen van het grootste belang. Hypothyreoïdie van de moeder leidt tot
psychomentale onderontwikkeling bij het kind.
Uiteraard is voor de extra productie van T4 door de moeder en het kind wat extra jodium
nodig. Bij onvoldoende jodiumopname ontstaat bij de moeder struma en bij het kind
psychomentale onderontwikkeling.
Schildklierziekten vormen na diabetes de meest voorkomende endocrinologische ziekten
tijdens de zwangerschap.
Hypothyreoïdie
Hypothyreoïdie is een functionele diagnose die de toestand omschrijft van een verminderd
schildklierhormooneffect. Dit effect berust vrijwel altijd op onvoldoende vorming en afgifte
van schildklierhormoon, maar in zeldzame gevallen kan er sprake zijn van (partiële)
schildklierhormoonresistentie.
De schildklierhormonen zorgen voor een verhoging van het celmetabolisme. Indien er te
weinig thyroxine wordt geproduceerd zal het celmetabolisme in de lichaamsweefsels
vertragen.
♥ Wanneer de oorzaak in de schildklier zelf gelegen is, spreekt men van primaire
hypothyreoïdie.
♥ Wanneer de oorzaak ligt bij een TSH-tekort door een ziekte van de hypothalamus-
hypofyse, spreekt men van secundaire hypothyreoïdie.
De klinische verschijnselen van beide aandoeningen zijn gelijk voor zover ze berusten op het
tekort aan schildklierhormoon. Symptomen als uiting van de onderliggende ziekte kunnen
tevens aanwezig zijn.
Hyperthyreoïdie
Hyperthyreoïdie of thyreotoxicose is een functionele diagnose die de toestand omschrijft
van een verhoogd schildklierhormooneffect.
De klinische verschijnselen berusten enerzijds op de effecten van een overmaat aan
schildklierhormoon, anderzijds kunnen ze een meer specifieke uiting zijn van de
onderliggende aandoening.