Casus 13
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Hoe werkt de bloedstolling?
2. Hoe voorkom je dat in het hele vaatstelsel bloedstolling optreedt?
3. Wat is trombose en hoe ontstaat het? Globaal inzicht in risicofactoren trombose
4. Welke medicijnen kun je gebruiken voor de behandeling van trombose?
Waar grijpt het medicijn aan in de stollingscascade (fysiologisch)? Heparine werkt op een andere
plek dan andere medicijnen.
Hoe werkt de bloedstolling?
De hemostase reageert snel, gelokaliseerd en gecontroleerd. Er zijn veel stollingsfactoren nodig is het
plasma die hierbij betrokken zijn. Er zijn drie fases bij de hemostase: vasculair spasme, plug formatie
en stolling.
Stap 1: Vasculaire spasme
In de eerste stap reageren kapotte bloedvaten op schade door samen te trekken. Factoren die
vasoconstrictie triggeren zijn directe schade aan het gladde spierweefsel, chemicaliën die vrijgelaten
worden door endotheelcellen en bloedplaatjes, en reflexen door lokale pijnreceptoren. Deze
vasculaire spasme is nodig omdat een sterk samengetrokken arterie het bloedverlies 20-30 minuten
kan verminderen. Dit is genoeg tijd om de volgende twee stappen te laten verlopen.
Stap 2: Plug formatie
In de tweede stap spelen bloedplaatjes een grote rol doordat ze gaan plakken. Hierdoor vormen ze
een plug die tijdelijk de kapotte wand kunnen dichtstoppen. Ze helpen ook bij het goed verlopen van
de volgende stappen.
Intacte endotheelcellen laten salpeterzuur en prostacycline vrij. Beide chemicaliën zorgen ervoor dat
bloedplaatjes niet gaan kleven. Wanneer collageenvezels zichtbaar zijn in de kapotte wand gaan
bloedplaatjes hier aan kleven. Een groot plasmaproteïne genaamd von Willebrand factor stabiliseert
de gebonden plaatjes door een brug te vormen tussen collageen en de bloedplaatjes. De plaatjes
zwellen op en gaan chemicaliën uitzenden.
ADP. Zorgt ervoor dat meer bloedplaatjes gaan plakken en chemicaliën gaan afgeven.
Serotine en thromboxaan A2. Boodschappers die zorgen voor vasculaire spasme en het
kleven van bloedplaatjes.
Hoe meer bloedplaatjes gaan kleven, hoe meer chemicaliën uitgezonden worden en hoe meer
bloedplaatjes gaan kleven. Binnen één minuut wordt zo een plug gevormd.
Stap 3: Stolling
In de derde stap versterkt de bloedplaatjes plug met fibrinedraden. Bloed wordt getransformeerd
van een vloeistof naar een gel. Dit gebeurt in een proces dat wordt beïnvloed door stollingsfactoren.
De meeste stollingsfactoren zijn plasmaeiwitten die gesynthetiseerd worden door de lever. Ze zijn
genummerd van I tot XIII, naar de volgorde waarin ze ontdekt zijn. Vitamine K nodig voor de synthese
van vier stollingsfactoren. De stollingsfactoren komen inactief in het bloed voor. Door activatie
worden de stollingsfactoren enzymen, doordat de vorm veranderd. Als één stollingsfactor actief is,
zet in de volgende stollingsfactor in de lijn aan. Hierdoor is er een cascade. Twee uitzonderingen
hierop zijn fibrinogeen en Ca2+. De stolling bestaat uit 3 fases:
Fase 1: twee pathways voor Prothrombine Activator
Stolling kan gebeuren door een intrinsieke of extrinsieke pathway. In het lichaam hebben
beide pathways hetzelfde effect. Buiten het lichaam werkt de intrinsieke pathway.
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Hoe werkt de bloedstolling?
2. Hoe voorkom je dat in het hele vaatstelsel bloedstolling optreedt?
3. Wat is trombose en hoe ontstaat het? Globaal inzicht in risicofactoren trombose
4. Welke medicijnen kun je gebruiken voor de behandeling van trombose?
Waar grijpt het medicijn aan in de stollingscascade (fysiologisch)? Heparine werkt op een andere
plek dan andere medicijnen.
Hoe werkt de bloedstolling?
De hemostase reageert snel, gelokaliseerd en gecontroleerd. Er zijn veel stollingsfactoren nodig is het
plasma die hierbij betrokken zijn. Er zijn drie fases bij de hemostase: vasculair spasme, plug formatie
en stolling.
Stap 1: Vasculaire spasme
In de eerste stap reageren kapotte bloedvaten op schade door samen te trekken. Factoren die
vasoconstrictie triggeren zijn directe schade aan het gladde spierweefsel, chemicaliën die vrijgelaten
worden door endotheelcellen en bloedplaatjes, en reflexen door lokale pijnreceptoren. Deze
vasculaire spasme is nodig omdat een sterk samengetrokken arterie het bloedverlies 20-30 minuten
kan verminderen. Dit is genoeg tijd om de volgende twee stappen te laten verlopen.
Stap 2: Plug formatie
In de tweede stap spelen bloedplaatjes een grote rol doordat ze gaan plakken. Hierdoor vormen ze
een plug die tijdelijk de kapotte wand kunnen dichtstoppen. Ze helpen ook bij het goed verlopen van
de volgende stappen.
Intacte endotheelcellen laten salpeterzuur en prostacycline vrij. Beide chemicaliën zorgen ervoor dat
bloedplaatjes niet gaan kleven. Wanneer collageenvezels zichtbaar zijn in de kapotte wand gaan
bloedplaatjes hier aan kleven. Een groot plasmaproteïne genaamd von Willebrand factor stabiliseert
de gebonden plaatjes door een brug te vormen tussen collageen en de bloedplaatjes. De plaatjes
zwellen op en gaan chemicaliën uitzenden.
ADP. Zorgt ervoor dat meer bloedplaatjes gaan plakken en chemicaliën gaan afgeven.
Serotine en thromboxaan A2. Boodschappers die zorgen voor vasculaire spasme en het
kleven van bloedplaatjes.
Hoe meer bloedplaatjes gaan kleven, hoe meer chemicaliën uitgezonden worden en hoe meer
bloedplaatjes gaan kleven. Binnen één minuut wordt zo een plug gevormd.
Stap 3: Stolling
In de derde stap versterkt de bloedplaatjes plug met fibrinedraden. Bloed wordt getransformeerd
van een vloeistof naar een gel. Dit gebeurt in een proces dat wordt beïnvloed door stollingsfactoren.
De meeste stollingsfactoren zijn plasmaeiwitten die gesynthetiseerd worden door de lever. Ze zijn
genummerd van I tot XIII, naar de volgorde waarin ze ontdekt zijn. Vitamine K nodig voor de synthese
van vier stollingsfactoren. De stollingsfactoren komen inactief in het bloed voor. Door activatie
worden de stollingsfactoren enzymen, doordat de vorm veranderd. Als één stollingsfactor actief is,
zet in de volgende stollingsfactor in de lijn aan. Hierdoor is er een cascade. Twee uitzonderingen
hierop zijn fibrinogeen en Ca2+. De stolling bestaat uit 3 fases:
Fase 1: twee pathways voor Prothrombine Activator
Stolling kan gebeuren door een intrinsieke of extrinsieke pathway. In het lichaam hebben
beide pathways hetzelfde effect. Buiten het lichaam werkt de intrinsieke pathway.