Casus 10
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Histologie hart
2. Histologie spier (verschil met hartspier)
3. Hoe werkt spiercontractie? (hoe verandert dit bij inspanning)?
4. Hoe wordt de doorbloeding van de hartspier geregeld?
5. Welke biomarkers zijn er voor myocardiale schade? (troponine I & C)
6. Frank Starling mechanisme
Histologie hart
Hartspierweefsel bestaat uit eenkernige, dwarsgestreepte, vertakte cellen waarvan de contractie
synchroon, ritmisch, krachtig en autonoom is. In tegenstelling tot de lange, cilindrische, meerkernige
skeletspieren, zijn hartspieren kort, dik, vertakt en onderling verbonden.
De intracellulaire ruimtes zijn gevuld met bindweefsel dat capillairen bevat.
De myoblasten fuseren niet tot syncytia, zoals bij de skeletspier. De cellen vertakken en hechten zich
met de uiteinden van deze vertakkingen aan elkaar. De scheiding tussen twee cellen wordt gemaakt
door intercalaire schijven. Hierin bevindt zich de fascia adhaerens, waar actinefilamenten
aanhechten aan de celmembraan. Ook bevinden zich hierin gap junctions, die de impulsen
doorgeven. Hierdoor is de coördinatie van de contractiegolf van de hartspier mogelijk. Ook zitten hier
desmosomen die cellen niet los raken van elkaar tijdens contractie.
De T-tubuli zijn wijd en talrijker en liggen op de grens van de sacromeren ter hoogte van de Z-lijn.
Grote mitochondria nemen 25-35% van het volume van cardiale cellen in, een kenmerk die de
cardiale cellen bestand maakt tegen vermoeidheid. Het grootste gedeelte van de rest van het volume
bestaat uit typische sarcomeren. Deze hebben Z-lijnen, A-banden en I-banden. Omdat tussen de
myofibrilen van de hartspier mitochondriën zitten, zijn de banden minder duidelijk. De cardiale SR is
simpeler en hier ontbreekt het grote reservoir dat skeletspieren bevatten.
Het membraan van een spiercel heet sarcolemma. De hartspier doet zowel aan aerobe als anaerobe
dissimilatie. Er zijn 3 type hartspiercellen:
1. Rood door myoglobine
2. a. overbruggen beide spiercellen
b. wit
Histologie skeletspier (verschil met hartspier)
, Skeletspierweefsel bestaat uit evenwijdig gerangschikte, veelkernige, dwarsgestreepte spiercellen
met een snelle, krachtige wilsafhankelijke contractie. Spiervezels ontstaan uit mesoderm, waarin de
myoblasten door deling en fusie een syncytium, de spiercel, vormen. De lamina basalis en het
bindweefsel dat individuele spiercellen omringt, noemt men endomysium. Een bundel van spieren
wordt omgeven door het perimysium, waarin bloedvaten en zenuwen worden aangetroffen. Het
epimysium bekleedt de buitenzijde van de spier en zet zich voort in pezen. De overdracht van de
contractiekracht gebeurt dus via de lamina basalis naar het endomysium, het perimysium, het
epimysium en de pees.
Met de lichtmicroscoop is een dwarse bandering te zien. De donker kleurende A-banden worden
afgewisseld met lichtere I-banden. De A staat voor anisotroop, de I voor isotroop.
In de I-band bevat een donkergekleurde Z-lijn. De donkere A-band bestaat uit dikke
myosinefilamenten. Aan beide kanten overlappen deze met dunne actinefilamenten. De H-band is
het deel van de A-band waar myosine niet wordt overlapt door actine. In het midden van de H-band
zit de M-lijn, waar myomesine de myofilamenten op hun plaat houdt. De actinefilamenten zijn aan
het andere uiteinde aan de Z-lijnen gehecht. De Z-lijn zendt naar twee zijden actinefilamenten uit. In
de I-band overlappen de myosinefilamenten en actinefilamenten niet.
Het deel van de myofibril tussen twee Z-lijnen noemt men een sarcomeer. Bij contractie schuiven de
actinefilamenten van weerszijden naar het midden van de A-band, zodat de afstand tussen de Z-
lijnen afneemt. De I-band wordt hierbij smaller en de H-band verdwijnt bijna geheel, maar de A-band
blijft gelijk.
Actine bestaat uit twee spiraalvormig gewonden ketens van G-actine. Elk actinemonomeer (G-actine)
heeft één bindingsplaats voor myosine. Het langgerekte tropomyosine en het globulaire troponine
(waarvan 3 varianten bestaan: TnT, TnC en TnI) binden zich aan actine. TnT hecht aan tropomyosine,
TnC aan calcium en TnI speelt voorkomt de binding tussen actine en myosine.
Myosine bestaat uit twee zware ketens, die als een spiraal gewonden zijn. In de A-band liggen dikke
myosinefilamenten. Deze bevatten myosinekoppen, die de bindingsplaats voor actine vormen. In de
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Histologie hart
2. Histologie spier (verschil met hartspier)
3. Hoe werkt spiercontractie? (hoe verandert dit bij inspanning)?
4. Hoe wordt de doorbloeding van de hartspier geregeld?
5. Welke biomarkers zijn er voor myocardiale schade? (troponine I & C)
6. Frank Starling mechanisme
Histologie hart
Hartspierweefsel bestaat uit eenkernige, dwarsgestreepte, vertakte cellen waarvan de contractie
synchroon, ritmisch, krachtig en autonoom is. In tegenstelling tot de lange, cilindrische, meerkernige
skeletspieren, zijn hartspieren kort, dik, vertakt en onderling verbonden.
De intracellulaire ruimtes zijn gevuld met bindweefsel dat capillairen bevat.
De myoblasten fuseren niet tot syncytia, zoals bij de skeletspier. De cellen vertakken en hechten zich
met de uiteinden van deze vertakkingen aan elkaar. De scheiding tussen twee cellen wordt gemaakt
door intercalaire schijven. Hierin bevindt zich de fascia adhaerens, waar actinefilamenten
aanhechten aan de celmembraan. Ook bevinden zich hierin gap junctions, die de impulsen
doorgeven. Hierdoor is de coördinatie van de contractiegolf van de hartspier mogelijk. Ook zitten hier
desmosomen die cellen niet los raken van elkaar tijdens contractie.
De T-tubuli zijn wijd en talrijker en liggen op de grens van de sacromeren ter hoogte van de Z-lijn.
Grote mitochondria nemen 25-35% van het volume van cardiale cellen in, een kenmerk die de
cardiale cellen bestand maakt tegen vermoeidheid. Het grootste gedeelte van de rest van het volume
bestaat uit typische sarcomeren. Deze hebben Z-lijnen, A-banden en I-banden. Omdat tussen de
myofibrilen van de hartspier mitochondriën zitten, zijn de banden minder duidelijk. De cardiale SR is
simpeler en hier ontbreekt het grote reservoir dat skeletspieren bevatten.
Het membraan van een spiercel heet sarcolemma. De hartspier doet zowel aan aerobe als anaerobe
dissimilatie. Er zijn 3 type hartspiercellen:
1. Rood door myoglobine
2. a. overbruggen beide spiercellen
b. wit
Histologie skeletspier (verschil met hartspier)
, Skeletspierweefsel bestaat uit evenwijdig gerangschikte, veelkernige, dwarsgestreepte spiercellen
met een snelle, krachtige wilsafhankelijke contractie. Spiervezels ontstaan uit mesoderm, waarin de
myoblasten door deling en fusie een syncytium, de spiercel, vormen. De lamina basalis en het
bindweefsel dat individuele spiercellen omringt, noemt men endomysium. Een bundel van spieren
wordt omgeven door het perimysium, waarin bloedvaten en zenuwen worden aangetroffen. Het
epimysium bekleedt de buitenzijde van de spier en zet zich voort in pezen. De overdracht van de
contractiekracht gebeurt dus via de lamina basalis naar het endomysium, het perimysium, het
epimysium en de pees.
Met de lichtmicroscoop is een dwarse bandering te zien. De donker kleurende A-banden worden
afgewisseld met lichtere I-banden. De A staat voor anisotroop, de I voor isotroop.
In de I-band bevat een donkergekleurde Z-lijn. De donkere A-band bestaat uit dikke
myosinefilamenten. Aan beide kanten overlappen deze met dunne actinefilamenten. De H-band is
het deel van de A-band waar myosine niet wordt overlapt door actine. In het midden van de H-band
zit de M-lijn, waar myomesine de myofilamenten op hun plaat houdt. De actinefilamenten zijn aan
het andere uiteinde aan de Z-lijnen gehecht. De Z-lijn zendt naar twee zijden actinefilamenten uit. In
de I-band overlappen de myosinefilamenten en actinefilamenten niet.
Het deel van de myofibril tussen twee Z-lijnen noemt men een sarcomeer. Bij contractie schuiven de
actinefilamenten van weerszijden naar het midden van de A-band, zodat de afstand tussen de Z-
lijnen afneemt. De I-band wordt hierbij smaller en de H-band verdwijnt bijna geheel, maar de A-band
blijft gelijk.
Actine bestaat uit twee spiraalvormig gewonden ketens van G-actine. Elk actinemonomeer (G-actine)
heeft één bindingsplaats voor myosine. Het langgerekte tropomyosine en het globulaire troponine
(waarvan 3 varianten bestaan: TnT, TnC en TnI) binden zich aan actine. TnT hecht aan tropomyosine,
TnC aan calcium en TnI speelt voorkomt de binding tussen actine en myosine.
Myosine bestaat uit twee zware ketens, die als een spiraal gewonden zijn. In de A-band liggen dikke
myosinefilamenten. Deze bevatten myosinekoppen, die de bindingsplaats voor actine vormen. In de