Casus 7
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen
1. Bloedvoorziening van de long (kleine en bronchiale circulatie)
2. Verhouding ventilatie-perfusie (Respiratory physiology)
a. Ventilatie uitval
b. Perfusie uitval
3. Hoe ontstaat een longembolie en wat is het?
4. Hoe ontstaat een pinda-aspiratie/atelectase/shunt en wat is het?
a. Hoe komt het dat de pinda meestal altijd in rechteronderkwab zit
(anatomie)
5. Ventilatie-persfuie scan + CT-angio (manieren om te kijken naar longembolie)
Bloedvoorziening van de long (kleine en bronchiale circulatie)
De longen worden op twee manieren van bloed voorzien.
De ene manier betreft de toevoer van zuurstofarm bloed vanuit de rechterkamer van het hart via de
longslagader naar de longen. Dit bloed neemt bij de alveoli zuurstof op en geeft afvalstoffen af. Daarna verenigt
dit capillairnet zich tot uiteindelijk de longader die naar de linker boezem loopt. Hierbij lopen de arteriën met
de bronchiën mee en de venen lopen aan de periferie van het longsegment.
De andere bloedvoorziening van de longen is bedoeld om de longcellen zuurstof en brandstof te verschaffen.
Deze bloedvoorziening verloopt via de arteriën. Het bloed wordt via de aorta naar de longen gestuurd en komt
daarna weer terug in het veneuze stelsel. Bloed in de bronchiale arteriën voorziet het bindweefsel, septa en
grote en kleine bronchiën van zuurstof.
Aorta hilus bronchiën capillairen pulmonaire venen. Er vindt dus mix plaats van een klein beetje
zuurstofarm bloed met veel zuurstofrijk bloed. De invloed hiervan is zo klein dat er niet veel merkbaar van is.
Verhouding ventilatie-perfusie
Als de ventilatie en bloedstroom niet goed op elkaar zijn afgestemd, dan is er een verslechtering van O2 en CO2
uitwisseling. Om de verhouding ventilatie-perfusie goed uit te leggen wordt het volgende model gebruikt:
In dit figuur zie je powdered dye, dat O2 moet voorstellen, en
water, dat het bloed moet voorstellen. De verf wordt de hele
tijd bijgevuld, wat het toevoegen van O2 door alveolaire
ventilatie moet voorstellen. Water wordt continu gepompt,
wat het stromende bloed moet voorstellen dat O2 meeneemt.
Een mixer mixt de alveolaire inhoudt, wat normaal gebeurt
door diffusie. De hoofdvraag die nu geldt is: wat bepaalt de
concentratie O2 in de alveoli en in het wegstromende bloed?
Het is duidelijk dat beiden worden beïnvloedt door de mate
waarin O2 toegevoegd wordt (ventilatie) en de mate waarin
het bloed wordt gepompt (perfusie). De concentratie O2 wordt bepaald door de ratio van ventilatie en
perfusie. Als O2 wordt toegevoegd in de mate van V g•min-1 en bloed gepompt wordt in Q L•min-1.
De concentratie van O2 in de alveoli en het bloed is V/Q g•L-1.
De concentratie van O2, CO2 en N2 wordt bepaald door de ratio van ventilatie tot perfusie.
De ingeademde lucht heeft een pO2 van 150 mm Hg
en een pCO2 van 0. Het veneus bloed dat de longen
binnengaat heeft een pO2 van 40 mm Hg en een pCO2
van 45. De alveolaire pO2 is 100 mm Hg en de pCO2
van 40 mm Hg. In normale situatie geldt dus situatie A
in de longen.
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen
1. Bloedvoorziening van de long (kleine en bronchiale circulatie)
2. Verhouding ventilatie-perfusie (Respiratory physiology)
a. Ventilatie uitval
b. Perfusie uitval
3. Hoe ontstaat een longembolie en wat is het?
4. Hoe ontstaat een pinda-aspiratie/atelectase/shunt en wat is het?
a. Hoe komt het dat de pinda meestal altijd in rechteronderkwab zit
(anatomie)
5. Ventilatie-persfuie scan + CT-angio (manieren om te kijken naar longembolie)
Bloedvoorziening van de long (kleine en bronchiale circulatie)
De longen worden op twee manieren van bloed voorzien.
De ene manier betreft de toevoer van zuurstofarm bloed vanuit de rechterkamer van het hart via de
longslagader naar de longen. Dit bloed neemt bij de alveoli zuurstof op en geeft afvalstoffen af. Daarna verenigt
dit capillairnet zich tot uiteindelijk de longader die naar de linker boezem loopt. Hierbij lopen de arteriën met
de bronchiën mee en de venen lopen aan de periferie van het longsegment.
De andere bloedvoorziening van de longen is bedoeld om de longcellen zuurstof en brandstof te verschaffen.
Deze bloedvoorziening verloopt via de arteriën. Het bloed wordt via de aorta naar de longen gestuurd en komt
daarna weer terug in het veneuze stelsel. Bloed in de bronchiale arteriën voorziet het bindweefsel, septa en
grote en kleine bronchiën van zuurstof.
Aorta hilus bronchiën capillairen pulmonaire venen. Er vindt dus mix plaats van een klein beetje
zuurstofarm bloed met veel zuurstofrijk bloed. De invloed hiervan is zo klein dat er niet veel merkbaar van is.
Verhouding ventilatie-perfusie
Als de ventilatie en bloedstroom niet goed op elkaar zijn afgestemd, dan is er een verslechtering van O2 en CO2
uitwisseling. Om de verhouding ventilatie-perfusie goed uit te leggen wordt het volgende model gebruikt:
In dit figuur zie je powdered dye, dat O2 moet voorstellen, en
water, dat het bloed moet voorstellen. De verf wordt de hele
tijd bijgevuld, wat het toevoegen van O2 door alveolaire
ventilatie moet voorstellen. Water wordt continu gepompt,
wat het stromende bloed moet voorstellen dat O2 meeneemt.
Een mixer mixt de alveolaire inhoudt, wat normaal gebeurt
door diffusie. De hoofdvraag die nu geldt is: wat bepaalt de
concentratie O2 in de alveoli en in het wegstromende bloed?
Het is duidelijk dat beiden worden beïnvloedt door de mate
waarin O2 toegevoegd wordt (ventilatie) en de mate waarin
het bloed wordt gepompt (perfusie). De concentratie O2 wordt bepaald door de ratio van ventilatie en
perfusie. Als O2 wordt toegevoegd in de mate van V g•min-1 en bloed gepompt wordt in Q L•min-1.
De concentratie van O2 in de alveoli en het bloed is V/Q g•L-1.
De concentratie van O2, CO2 en N2 wordt bepaald door de ratio van ventilatie tot perfusie.
De ingeademde lucht heeft een pO2 van 150 mm Hg
en een pCO2 van 0. Het veneus bloed dat de longen
binnengaat heeft een pO2 van 40 mm Hg en een pCO2
van 45. De alveolaire pO2 is 100 mm Hg en de pCO2
van 40 mm Hg. In normale situatie geldt dus situatie A
in de longen.