Farmacologie Autonoom Zenuwstelsel
Circulatie en Ademhaling I
3 delen:
Somatisch = voluntary = animaal
Autonoom = involuntary = vegetatief = sympathisch + parasympathisch
Zenuwstelsel in de darmen
Centraal zenuwstelsel = hersenen + hersenstam + ruggenmerg
Parasympathisch:
Bulbosacraal. Zenuwen komen uit de hersenstam en het ruggenmerg. Lange zenuwen,
ganglia in/op doelwitorgaan. Lange preganglionaire zenuwen, korte postganglionaire
zenuwen.
Anabolic. Werkt in rust
Ach (acetylcholine) als transmitter in post-ganglionaire neuronen
Sympathisch:
Thoraco-lumbaal. Korte preganglionaire zenuwen, lange postganglionaire zenuwen. Ganglia
liggen in paravertebrale lijn.
Catabolic. Werkt tijdens actie.
Ne (norepinephrine) als neurotransmitter in post-ganglionaire neuronen.
In de grijze stof van het ruggenmerg zitten de neuronen. In de witte stof zitten de banen.
Alle eerste schakelingen die
uit het ruggenmerg komen,
geven acetylcholine af.
Ook al behoren zweetklieren
tot het sympathisch stelsel,
ze krijgen als
neurotransmitter
acetylcholine.
N = nicotine
M = muscarine
Adrenaline komt via het bloed bij het hart, noradrenaline komt via zenuwen bij het hart.
Nicotine en muscarine lijken op acetylcholine. Acetylcholine kan dus binden op zowel acetylcholine-,
als nicotine-, als muscarinereceptoren. Nicotine kan alleen binden op nicotinereceptoren, muscarine
alleen op muscarinereceptoren. Alle drie de stoffen zij agonisten.
Nicotinereceptoren zijn ionkanalen en zitten op autonome ganglia en hormoonklieren. Muscarine
receptoren zijn cAMP en zitten op het hart, gladde spieren en klieren.
Het verschil tussen adrenaline en noradrenaline is dat adrenaline een methylgroep heeft.
Noradrenaline heeft een hogere affiniteit voor alfa receptoren, adrenaline voor bètareceptoren.
Alfareceptoren zitten op bloedvaten, bètareceptoren op hart, longen, arteriën, uterus.
Circulatie en Ademhaling I
3 delen:
Somatisch = voluntary = animaal
Autonoom = involuntary = vegetatief = sympathisch + parasympathisch
Zenuwstelsel in de darmen
Centraal zenuwstelsel = hersenen + hersenstam + ruggenmerg
Parasympathisch:
Bulbosacraal. Zenuwen komen uit de hersenstam en het ruggenmerg. Lange zenuwen,
ganglia in/op doelwitorgaan. Lange preganglionaire zenuwen, korte postganglionaire
zenuwen.
Anabolic. Werkt in rust
Ach (acetylcholine) als transmitter in post-ganglionaire neuronen
Sympathisch:
Thoraco-lumbaal. Korte preganglionaire zenuwen, lange postganglionaire zenuwen. Ganglia
liggen in paravertebrale lijn.
Catabolic. Werkt tijdens actie.
Ne (norepinephrine) als neurotransmitter in post-ganglionaire neuronen.
In de grijze stof van het ruggenmerg zitten de neuronen. In de witte stof zitten de banen.
Alle eerste schakelingen die
uit het ruggenmerg komen,
geven acetylcholine af.
Ook al behoren zweetklieren
tot het sympathisch stelsel,
ze krijgen als
neurotransmitter
acetylcholine.
N = nicotine
M = muscarine
Adrenaline komt via het bloed bij het hart, noradrenaline komt via zenuwen bij het hart.
Nicotine en muscarine lijken op acetylcholine. Acetylcholine kan dus binden op zowel acetylcholine-,
als nicotine-, als muscarinereceptoren. Nicotine kan alleen binden op nicotinereceptoren, muscarine
alleen op muscarinereceptoren. Alle drie de stoffen zij agonisten.
Nicotinereceptoren zijn ionkanalen en zitten op autonome ganglia en hormoonklieren. Muscarine
receptoren zijn cAMP en zitten op het hart, gladde spieren en klieren.
Het verschil tussen adrenaline en noradrenaline is dat adrenaline een methylgroep heeft.
Noradrenaline heeft een hogere affiniteit voor alfa receptoren, adrenaline voor bètareceptoren.
Alfareceptoren zitten op bloedvaten, bètareceptoren op hart, longen, arteriën, uterus.