Ademmechanica
Circulatie en Ademhaling I
Obstructief:
FEV1/VC < LLN
- Astma
- COPD
Restrictief:
VC < LLN
Eenheden:
1 Pa = 1 Nm-2
1 kPa = 7,5 mmHg = 10,2 cmH2O
1 atm = 1,013 bar = 101,3 kPa = 760 mmHg
PA = Pspieren + Pth,el + PL,el = Ppl + PL,el
PA = ΔV x Rademweg
De long levert altijd een positieve druk. De long wil altijd kleiner worden. De thorax levert vooral een
negatieve druk. Hij wil altijd groter worden. Als je boven 75% van je vitale capaciteit komt wil de
thorax juist kleiner worden. Aan het eind van een uitademing is de druk van de longen even groot als
de druk van de thorax. Dit is een rustpunt. Om onder dit rustpunt te komen moet je actief
uitademen.
De ademspieren zorgen bij inademing voor een negatieve druk en tijdens expiratie voor een positieve
druk. Tijdens inademing is de Ppl dus negatief en tijdens uitademing positief. De uitademingsspieren
zijn sterker dan inademingsspieren.
Rekbaarheid long = compliantie van de long;
CL = ΔVL / ΔPtp
Terugverende kracht van de thorax zorgt voor vergroting borst.
Terugverende kracht van de longen zorg voor verkleining van longvolume.
Als deze twee krachten gelijk zijn aan elkaar is er een rust punt: Functional Residual Capacity
De maximale PA is vooral bepaald door spierkracht. Alleen bij hoge en lage volumes hebben de
terugverende krachten invloed op het longvolume.
Equal Pressure Point: Het punt waar de druk van de lucht buiten de luchtweg even groot is als de
lucht in de bronchiën. EPP>0, airway collapse.
In een spirogram curve is er een gedeelte dat niet
afhangt van de inspanning (effort independent). Het
maakt hier niet uit of je hard of niet hard uitademt. De
luchtwegen zorgen hier voor een soort weerstand. Dit
komt omdat je anders je luchtweg dichtduwt.
Tijdens de inademing neemt de diameter van de
longen toe. Tijdens geforceerde uitademing neemt de
diameter van de luchtwegen af tot het EPP. Hoe meer
de pleurale druk toeneemt, hoe meer weerstand de
luchtwegen bieden.
Circulatie en Ademhaling I
Obstructief:
FEV1/VC < LLN
- Astma
- COPD
Restrictief:
VC < LLN
Eenheden:
1 Pa = 1 Nm-2
1 kPa = 7,5 mmHg = 10,2 cmH2O
1 atm = 1,013 bar = 101,3 kPa = 760 mmHg
PA = Pspieren + Pth,el + PL,el = Ppl + PL,el
PA = ΔV x Rademweg
De long levert altijd een positieve druk. De long wil altijd kleiner worden. De thorax levert vooral een
negatieve druk. Hij wil altijd groter worden. Als je boven 75% van je vitale capaciteit komt wil de
thorax juist kleiner worden. Aan het eind van een uitademing is de druk van de longen even groot als
de druk van de thorax. Dit is een rustpunt. Om onder dit rustpunt te komen moet je actief
uitademen.
De ademspieren zorgen bij inademing voor een negatieve druk en tijdens expiratie voor een positieve
druk. Tijdens inademing is de Ppl dus negatief en tijdens uitademing positief. De uitademingsspieren
zijn sterker dan inademingsspieren.
Rekbaarheid long = compliantie van de long;
CL = ΔVL / ΔPtp
Terugverende kracht van de thorax zorgt voor vergroting borst.
Terugverende kracht van de longen zorg voor verkleining van longvolume.
Als deze twee krachten gelijk zijn aan elkaar is er een rust punt: Functional Residual Capacity
De maximale PA is vooral bepaald door spierkracht. Alleen bij hoge en lage volumes hebben de
terugverende krachten invloed op het longvolume.
Equal Pressure Point: Het punt waar de druk van de lucht buiten de luchtweg even groot is als de
lucht in de bronchiën. EPP>0, airway collapse.
In een spirogram curve is er een gedeelte dat niet
afhangt van de inspanning (effort independent). Het
maakt hier niet uit of je hard of niet hard uitademt. De
luchtwegen zorgen hier voor een soort weerstand. Dit
komt omdat je anders je luchtweg dichtduwt.
Tijdens de inademing neemt de diameter van de
longen toe. Tijdens geforceerde uitademing neemt de
diameter van de luchtwegen af tot het EPP. Hoe meer
de pleurale druk toeneemt, hoe meer weerstand de
luchtwegen bieden.